De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 januari 2022 de vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Local Court Mönchengladbach. De opgeëiste persoon, met Nederlandse nationaliteit, werd verdacht van georganiseerde of gewapende diefstal, een feit vermeld op bijlage 1 bij de Overleveringswet (OLW).
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde deze. De Duitse autoriteiten gaven een garantie dat, indien de persoon tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland mag ondergaan. Deze garantie achtte de rechtbank voldoende.
De raadsman van de opgeëiste persoon voerde een evenredigheidsverweer aan, stellende dat overlevering onevenredig zwaar zou zijn vanwege persoonlijke omstandigheden, waaronder het belang van het voortzetten van psychologische behandeling in Nederland. De rechtbank verwierp dit verweer, stellende dat het stelsel van de OLW en het onderliggende kaderbesluit uitgaan van het principe dat overlevering niet verder gaat dan nodig is en dat een beroep op onevenredigheid slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan slagen.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, er geen weigeringsgronden zijn en geen redenen om geen gevolg te geven aan het EAB. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.