ECLI:NL:RBAMS:2022:8406

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 oktober 2022
Publicatiedatum
23 februari 2023
Zaaknummer
C/13/716340 / FA RK 22-2328
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 AlimentatieverordeningArt. 4 lid 3 Haagse Protocol 2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kinderalimentatie bij onvoldoende onderbouwd verzoek en vrijwillige betaling

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek van de vrouw om kinderalimentatie voor hun minderjarige kind, woonachtig in Suriname. De vrouw vroeg een bijdrage van €250 per maand, gebaseerd op een behoeftelijst met kosten omgezet naar euro's. De man betwistte de hoogte van de behoefte, wijzend op het lage inkomen van de vrouw en dat eerdere betalingen vooral bestemd waren voor vaste lasten en haar levensonderhoud.

Tijdens de zitting, waarbij de vrouw via beeldbellen vanuit Suriname werd gehoord, bood de man aan om het bedrag van €100 per maand dat hij tot dan toe vrijwillig betaalde te blijven voldoen. De rechtbank vond de door de vrouw opgevoerde behoefte onwaarschijnlijk hoog en onvoldoende onderbouwd. Gezien het inkomen van beide partijen en de vrijwillige bijdrage van de man, achtte de rechtbank deze bijdrage passend.

De rechtbank besloot dat de man €100 per maand aan kinderalimentatie betaalt, ingaand per heden, en wees het meer gevorderde af. Elk van de partijen draagt de eigen proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op €100 per maand en wijst het meer gevorderde af.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/716340 / FA RK 22-2328 (LB TM)
Beschikking van 14 oktober 2022 betreffende vaststelling van alimentatie
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 1] (Suriname),
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. Tariki te Arnhem,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. A.J. van Ommeren te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoek van de vrouw, ingekomen op 13 april 2022;
- het verweerschrift van de man, ingekomen op 27 mei 2022;
- producties 6 en 7 van de vrouw, ingekomen op 25 juli 2022;
- productie 8, 9 en 10 van de vrouw, ingekomen op 19 september 2022.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 september 2022.
Gehoord zijn: de vrouw vanuit Suriname via beeldbellen, haar advocaat en de man en zijn advocaat.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit die relatie is geboren :
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016;
2.2.
De minderjarige woont vanaf zijn geboorte met de vrouw in Suriname. De man woont om en om in Nederland en Suriname. Hij verblijft gemiddeld 3 á 4 maanden per jaar in Nederland voor werk en verblijft dan de rest van het jaar in Suriname.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Het verzoek
3.1.1.
De vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met ingang van 1 mei 2021 met een bedrag van € 250,- per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage, met ingang van een in goede justitie te bepalen datum.
3.2.
Het verweer
De man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw.

4.De beoordeling

4.1.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1.1.
De rechtbank is op grond van artikel 3 van Pro de Alimentatieverordening bevoegd van het geding kennis te nemen nu de man in Nederland zijn hoofdverblijfplaats heeft.
4.1.2.
Op grond van artikel 4 lid 3 van Pro het Haagse Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen is het Nederlandse recht van toepassing.
4.2.
Inhoudelijke beoordeling
4.2.1.
De behoefte
Partijen zijn in 2021 uit elkaar gegaan en daarom zal worden uitgegaan van de financiële situatie van partijen in dit jaar om te bepalen wat de behoefte is.
Ter onderbouwing van de behoefte van [minderjarige] is van de kant van de vrouw een behoeftelijst overgelegd van de boodschappen en overige kosten die zij maandelijks voor hem maakt. Hieruit zou volgen dat zijn behoefte € 295,- maand bedraagt, na omzetting van Surinaamse Dollars (SRD) naar euro’s. Tevens geeft de vrouw aan dat deze behoefte in lijn is met de bijdrage die de man haar betaalde toen zij nog samen waren.
De man voert verweer tegen de gestelde hoogte van de behoefte.
De man geeft aan dat, gezien de hoogte van het inkomen van de vrouw, de door haar verzocht bijdrage viermaal haar inkomen is, wat niet kan kloppen. De man geeft daarnaast aan dat zijn oude bijdrage aan de vrouw van € 240,- per maand grotendeels werd verstrekt voor de kosten van de vaste lasten van zijn huis, waarin de vrouw woonde en voor haar eigen levensonderhoud.
De rechtbank overweegt als volgt. In het licht van het feit dat de vrouw zelf een inkomen heeft van
omgerekend € 68,62 per maand, komt de door de vrouw gestelde behoefte van [minderjarige] de rechtbank zeer onwaarschijnlijk voor. Mede in het licht van het gemotiveerde verweer van de man, over onder meer de gemiddelde inkomens in Suriname, is het voor de rechtbank ondenkbaar dat de behoefte van [minderjarige] op een dergelijk hoog niveau zou liggen, zelfs als de man in de afgelopen jaren het inkomen van de vrouw heeft verhoogd met bijdrages vanuit Nederland. Deze bijdrages hebben namelijk mede gezien op de vaste lasten van de woning in Suriname en het levensonderhoud van de vrouw zelf. Enkel een beperkt deel van de bijdrage is bedoeld geweest om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien.
De rechtbank zal de vrouw daarom niet volgen in de behoefte zoals die volgt uit de behoeftelijst.
Bij gebreke van subsidiaire stellingen van de kant van de vrouw over de behoefte kan de rechtbank deze derhalve niet vaststellen en zou hieruit de conclusie kunnen volgen dat de rechtbank geen bijdrage kan vaststellen die in verhouding staat tot de behoefte.
Nu de man echter ter zitting heeft aangeboden om het tot op heden voor [minderjarige] betaalde bedrag van
€ 100,- per maand te willen blijven betalen, zal de rechtbank dit bedrag als bijdrage bepalen. De rechtbank is van oordeel dat [minderjarige] hiermee niet tekort wordt gedaan.
Als namelijk gekeken wordt naar het inkomen van de vrouw zoals hiervoor vernoemd, en het inkomen van de man zoals dat blijkt uit de stukken zoals door hem in het geding gebracht, zijnde in 2021
€ 8.760,- aan winst uit onderneming en in 2020 € 20.541,- aan verzamelinkomen, zal de behoefte van [minderjarige] in 2021 en ook per heden niet boven deze bijdrage uitstijgen.
4.2.2.
Gezien het debat van partijen, het gegeven dat de vrouw haar verzoek onvoldoende heeft onderbouwd, dat de man in verhouding tot de levensstandaard van [minderjarige] een ruime bijdrage betaalt en dit vrijwillig ook altijd heeft betaald ziet de rechtbank geen aanleiding om de bijdrage met terugwerkende kracht in te laten gaan. De rechtbank acht het redelijk dat de bijdrage per heden ingaat.
4.3.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van partijen de eigen kosten draagt.
4.4.
Daarom wordt als volgt beslist.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1. -
bepaalt dat de man € 100,- per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, met ingang van heden, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Berkum, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T.E. Meijer, griffier, op 14 oktober 2022. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).