Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
zaak A), 13/309278-20 (
zaak B) en 13/144143-21 (
zaak C) (ter terechtzitting gevoegd)
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van de feiten
7.De strafbaarheid van verdachte
8.De op te leggen maatregel
9.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
€ 157,94aan vergoeding van
materiële schade,bestaande uit
€ 24,80aan parkeer- en reiskosten voor het doen van aangifte en
€ 133,14voor vervanging van de kleding die ze aan de politie heeft afgestaan voor nader onderzoek, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2021. Voorts vordert de benadeelde partij
€ 5.000,-aan vergoeding van
immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2021. Tevens is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
€ 133,14(
honderddrieëndertig euro en veertien cent)– worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (23 februari 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening. De verminderde toerekenbaarheid van het in zaak A bewezen verklaarde feit aan verdachte staat aan deze toewijzing niet in de weg.
€ 2.500,- (tweeduizendvijfhonderd euro).De verminderde toerekenbaarheid van het in zaak A bewezenverklaarde feit aan verdachte staat aan deze toewijzing niet in de weg.
[slachtoffer 1]naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak A bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van
€ 133,14(
honderddrieëndertig euro en veertien cent) aan
materiële schadeen een bedrag van
€ 2.500,-(
tweeduizendvijfhonderd euro)aan
immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 februari 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening.
18 (achttien) dagen.De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
€ 1.650,-aan vergoeding van
immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke vanaf 5 december 2020. Tevens is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
€ 500,- (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 december 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening. De door de rechtbank vastgestelde verminderde toerekenbaarheid van de in zaak A en C bewezenverklaarde feiten aan verdachte staat aan deze toewijzing niet in de weg.
[slachtoffer 2]naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak B bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van
€ 500,-(
vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 december 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening.
5 (vijf) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
[slachtoffer 1]toe tot een bedrag van
€ 133,14(
honderddrieëndertig euro en veertien cent) aan vergoeding van materiële schade en
€ 2.500,-(
tweeduizendvijfhonderd euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 februari 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening.
[slachtoffer 1]voornoemd.
[slachtoffer 1]aan de Staat
€ 133,14(
honderddrieëndertig euro en veertien cent) aan vergoeding van materiële schade en
€ 2.500,-(
tweeduizendvijfhonderd euro)aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 februari 2021) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
18 (achttien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
[slachtoffer 2]toe tot een bedrag van
€ 500,-(
vijfhonderd euro)aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 december 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening.
[slachtoffer 2]voornoemd.
[slachtoffer 2]aan de Staat
€ 500,-(
vijfhonderd euro)aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 december 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
5 (vijf) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.