ECLI:NL:RBAMS:2023:112

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 januari 2023
Publicatiedatum
13 januari 2023
Zaaknummer
13/752156-20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering wegens ontbreken terugkeergarantie ondanks gelijkstelling met Nederlander

De rechtbank Amsterdam behandelde op 28 december 2022 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen de opgeëiste persoon, die wordt verdacht van betrokkenheid bij handel in marihuana, wapens en deelname aan een criminele organisatie.

De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende gedetailleerd was, maar de rechtbank oordeelde dat het EAB genoegzaam was en dat het specialiteitsbeginsel gewaarborgd is. De opgeëiste persoon werd op grond van de Overleveringswet (OLW) gelijkgesteld met een Nederlander, omdat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef, in Nederland vervolgd kan worden en zijn verblijfsrecht niet verliest door de straf.

Echter, de rechtbank weigerde de overlevering omdat geen terugkeergarantie was verstrekt dat de opgeëiste persoon de opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in Nederland mag ondergaan. De rechtbank zag geen reden om de behandeling aan te houden ondanks het verzoek van het Openbaar Ministerie om op de garantie te wachten, omdat de beslistermijn ruimschoots was verstreken.

De overlevering werd derhalve geweigerd op grond van artikel 6 OLW Pro. Andere verweren behoefden geen bespreking meer. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering wegens het ontbreken van een terugkeergarantie ondanks gelijkstelling met een Nederlander.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752156-20
RK nummer: 21/2643
Datum uitspraak: 11 januari 2023
UITSPRAAK
op de vordering van de officier van justitie van 4 mei 2021 bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 november 2020 door
the Circuit Court in Ostrolęka, II Criminal Division(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres opgeëiste persoon] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 december 2022. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman mr. G.A. Dorsman, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. [2] Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. [3]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judicial decision of 15 October 2020 on temporary arrest, issued by the District Court in Białystok, III Kp 2177/20 (PK VII WZ Ds. 24.2016).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [4]

4.Genoegzaamheid

De raadsman heeft betoogd dat het EAB niet genoegzaam is. De beschrijving van de verdenking is onvoldoende gedetailleerd, waardoor het niet duidelijk is voor de opgeëiste persoon waarvan hij wordt verdacht en op welke wijze hij bewijs van zijn onschuld kan leveren. De overlevering moet om die reden worden geweigerd.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is en dat het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak is het volgende van belang.
Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van betrokkenheid bij handel in marihuana en wapens en deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 8 maart 2013 tot 16 april 2014, in (onder meer) Polen en Nederland.
De rechtbank is van oordeel dat met deze omschrijving aan de genoemde vereisten is voldaan, mede nu het een vervolgings-EAB betreft en het onderzoek dus nog gaande is en de verdenking in dit stadium nog niet volledig uitgekristalliseerd hoeft te zijn. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de feitsomschrijving er niet toe strekt om de opgeëiste persoon tot het voeren van een onschuldverweer in staat te stellen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2010:BN7964). Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

5.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1, 5 en 6, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
illegale handel in wapens, munitie en explosieven.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Gelijkstelling
De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander, zodat in geval hij na zijn overlevering tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld in de uitvoerende lidstaat, hij die straf in Nederland mag ondergaan.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten genoemd in het EAB;
3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Op grond van de door de opgeëiste persoon overlegde stukken, stelt de rechtbank vast dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.. Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten welke aan het EAB ten grondslag liggen.
Derde voorwaarde
In de brief van 13 december 2022 van de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) staat dat de opgeëiste persoon niet zijn verblijfrecht zal verliezen als gevolg van de feiten in het EAB. Aan deze voorwaarde is dus ook voldaan.
Conclusie
Nu aan alle drie de voorwaarden is voldaan, kan de opgeëiste persoon op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, hij deze straf in Nederland mag ondergaan. Een daartoe strekkende terugkeergarantie ontbreekt echter.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering wegens het ontbreken van genoemde terugkeergarantie moet worden geweigerd. De officier van justitie heeft verzocht om de behandeling van de vordering aan te houden in afwachting van ontvangst van de terugkeergarantie, nu deze reeds is aangevraagd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de vordering aan te houden omdat de beslistermijn ruimschoots is verstreken. Daarbij is van belang dat de opgeëiste persoon sinds 2011 in Nederland staat ingeschreven, zodat niet kan worden aangenomen dat hij zich schuil heeft willen houden voor de Poolse autoriteiten De rechtbank ziet ook geen aanleiding om af te zien van weigering van de overlevering op grond van artikel 6, eerste lid, OLW. De overlevering zal worden geweigerd, omdat er geen terugkeergarantie ten behoeve van de opgeëiste persoon is afgegeven.
Nu de overlevering op deze grond wordt geweigerd behoeven de overige verweren geen bespreking.

7.Slotsom

De rechtbank weigert de overlevering op grond van artikel 6 OLW Pro.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court in Ostrolęka, II Criminal Division(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en E.G.M.M. van Gessel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 11 januari 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22 OLW Pro.
3.De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
4.Zie onderdeel e) van het EAB.