Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2023:1187

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 maart 2023
Publicatiedatum
2 maart 2023
Zaaknummer
13/002121-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam heeft op 2 maart 2023 uitspraak gedaan over de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Polen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court in Koszalin. De opgeëiste persoon werd verdacht van een strafbaar feit waarvoor een vrijheidsstraf van één jaar is opgelegd, waarvan nog circa vijf maanden resteren.

Tijdens de zitting van 16 februari 2023, waarbij de opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsman en een Poolse tolk, werd zijn identiteit bevestigd. De rechtbank onderzocht of voldaan werd aan de voorwaarden voor overlevering, waaronder de toetsing van dubbele strafbaarheid. De rechtbank concludeerde dat het feit ook in Nederland strafbaar is als overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdediging voerde aan dat overlevering zou leiden tot onmenselijke of vernederende behandeling vanwege eerdere mishandelingen in de Poolse gevangenis in Koszalin. De rechtbank oordeelde echter dat er geen objectieve en actuele gegevens waren die een algemeen reëel gevaar van dergelijke behandeling aantoonden. Gezien het kader van de Europese jurisprudentie (Aranyosi en Căldăraru) werd dit bezwaar verworpen.

De rechtbank stelde vast dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat er geen weigeringsgronden zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks bezwaren over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/002121-23
RK nummer: 23/21
Datum uitspraak: 2 maart 2023
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 januari 2023 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 december 2021 door
the District Court in Koszalin II Criminal Department(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 februari 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
enforceable judgment of the Local Court in Szczecinek of 30 Augustus 2017(II K 179/17).
In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier maanden en 27 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994.

5.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon meent dat sprake is van een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling als hij wordt overgeleverd. Hij heeft eerder een deel van deze straf uitgezeten in de gevangenis in Koszalin en is daar meermalen slachtoffer geworden van geweld. Niet alleen is hij door medegedetineerden mishandeld maar ook door bewaarders.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de stellingen van de opgeëiste persoon over zijn ervaringen tijdens zijn eerdere detentie onvoldoende zijn om geen gevolg te geven aan het EAB.
De rechtbank stelt voorop dat zij niet beschikt over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden, waaruit volgt dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden in Polen, dan wel in de gevangenis in Koszalin. Gelet op het gegeven kader in de uitspraak Aranyosi en Căldăraru (C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198), komt de rechtbank dan ook niet toe aan de vraag of de opgeëiste persoon bij overlevering aan Polen zal worden blootgesteld aan een schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. [1]
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de stelling van de opgeëiste persoon op dit punt, hoe naar hetgeen daarin wordt beschreven ook is, niet is onderbouwd.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court in Koszalin II Criminal Department(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. G.M. Beunk en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 2 maart 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie ook HvJ EU 31 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:57, punten 109-118