ECLI:NL:RBAMS:2023:2781

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 april 2023
Publicatiedatum
2 mei 2023
Zaaknummer
13/751779-16
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 2 OverleveringswetArt. 5 OverleveringswetArt. 6a Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering Europees aanhoudingsbevel wegens verjaring tenuitvoerleggingstermijn

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een persoon geboren in 1981, die in Nederland verblijft en gelijkgesteld is aan een Nederlander. Het EAB betreft een vrijheidsstraf van zes maanden waarvan nog vijf maanden en 29 dagen resteren.

De rechtbank constateerde dat het EAB voor het eerst in januari 2017 werd behandeld en daarna lange tijd was aangehouden. De behandeling werd voortgezet in april 2023. De rechtbank stelde vast dat de wettelijke termijn voor beslissing op het overleveringsverzoek was verstreken, waardoor geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.

De rechtbank oordeelde dat de tenuitvoerleggingstermijn van het Poolse vonnis, dat dateert van mei 2011, volgens Nederlands recht op 11 mei 2019 is verjaard. Gezien de geringe ernst van het feit, de korte duur van de straf en het lange tijdsverloop, en het feit dat de opgeëiste persoon sinds 2011 in Nederland staat ingeschreven, werd de overlevering geweigerd.

De rechtbank volgde hiermee het verzoek van zowel de verdediging als het Openbaar Ministerie. De uitspraak is onherroepelijk en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering wegens verjaring van de tenuitvoerleggingstermijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751779-16
RK nummer: 16/6973
Datum uitspraak: 18 april 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 11 oktober 2016 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB). [1] Dit EAB is uitgevaardigd op 17 april 2014 door
the Regional Court in Szczecin(Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Het EAB is voor het eerst behandeld op de zitting van 17 januari 2017. De behandeling is toen voor onbepaalde tijd aangehouden om de uitspraak in de zaak Popɫawski af te wachten. De rechtbank stelt vast dat deze uitspraak in de nu voorliggende uitspraak geen inhoudelijke bespreking meer hoeft, omdat het antwoord op de in deze zaak spelende rechtsvraag inmiddels vaste jurisprudentie is geworden en de Overleveringswet (hierna: OLW) per 1 april 2021 ook is gewijzigd.
De behandeling van het EAB is voortgezet op de zitting van 18 april 2023. Het Openbaar Ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M. Timorason, advocaat in Amsterdam, die waarnam voor haar kantoorgenoot, mr. S. Pijl. De opgeëiste persoon is tevens bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. [2] Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judgement of the Szczecin-Centre District Court in Szczecinvan
10 mei 2011, met referentie
IV K 136/11.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro doet zich dan ook niet voor.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vijf maanden en
29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW in verbinding met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW
5.1
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
5.2
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
5.3
Al tijdens de behandeling op de zitting van 17 januari 2017 heeft de rechtbank vastgesteld dat de opgeëiste persoon voldoet aan de bovengenoemde twee vereisten en gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon zijn duurzame verblijfsrecht sindsdien heeft verloren.
5.4
Ingevolge artikel 6a, tweede lid, onder a, OLW jo. artikel 2:13, eerste lid, onderdeel g, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: WETS), in samenhang gelezen met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW kan de overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd voor feiten ter zake waarvan naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend, maar wegens verjaring geen bestraffing meer kan plaatsvinden.
5.5
Gelet op hetgeen hiervoor met betrekking tot de gelijkstelling is overwogen, stelt de rechtbank vast dat naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend op grond van artikel 7, derde lid, jo. artikel 86b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
5.6
Het Poolse vonnis dateert van 10 mei 2011 en ziet op een feit dat naar Nederlands recht een misdrijf betreft, strafbaar gesteld in artikel 3, onder c, juncto artikel 11, tweede lid, Opiumwet (hierna: OW) met een maximale gevangenisstraf van twee jaar.
5.7
Uit artikel 70, eerste lid, onder 2, Sr volgt dat het recht tot strafvordering voor een misdrijf waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld, in zes jaren vervalt door verjaring. Artikel 6:1:22, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bepaalt dat de tenuitvoerleggingstermijn een derde langer is dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering. Dat maakt dat de tenuitvoerleggingstermijn van het vonnis in dit geval acht jaar bedraagt.
5.8
Nu het Poolse vonnis dateert van 10 mei 2011, komt de rechtbank tot de conclusie dat het recht tot tenuitvoerlegging van de straf die aan de opgeëiste persoon is opgelegd naar Nederlands recht op 11 mei 2019 is verjaard.
5.9
Gelet op het facultatieve karakter van de weigeringsgrond als genoemd in artikel 6a, tweede lid, onder a, OLW jo. artikel 2:13, eerste lid, onderdeel g, WETS, in samenhang gelezen met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW kan de rechtbank de overlevering daarom weigeren. Zowel de raadsvrouw als de officier van justitie hebben de rechtbank verzocht om gebruik te maken van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren.
5.1
De rechtbank volgt de raadsvrouw en de officier van justitie hierin. Zij komt tot dit oordeel op grond van de volgende omstandigheden: de geringe ernst van de gepleegde strafbare feiten, de geringe duur van de opgelegde straf en het lange tijdsverloop na het intreden van de verjaring. De rechtbank acht daarbij van belang dat de opgeëiste persoon vanaf 2011 in Nederland in de Basisregistratie Personen ingeschreven staat, waaruit blijkt dat hij zich niet schuil heeft willen houden voor de Poolse autoriteiten. Daarnaast is het niet aan de opgeëiste persoon te wijten dat de behandeling van de vordering na de aanhouding daarvan op de zitting van 17 januari 2017, pas op 18 april 2023 weer is voortgezet.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, tweede lid, onder a, OLW jo. artikel 2:13, eerste lid, onderdeel g, WETS, in samenhang gelezen met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, wordt de overlevering geweigerd.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 3 en 11 OW en 2, 5, 6a, 7 en 9 OLW.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Szczecin(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
STELT VASTdat de geschorste overleveringsdetentie is geëindigd.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 april 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22 OLW Pro (geldend tot 1 april 2021).
3.Zie onderdeel e) van het EAB.