ECLI:NL:RBAMS:2023:2880
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen dwangsombeschikking
Opposant heeft bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift tegen een dwangsombeschikking. De rechtbank had dit beroep eerder niet-ontvankelijk verklaard omdat zij oordeelde dat de ingebrekestelling prematuur was vanwege de toepassing van de bijzondere beslistermijn uit artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet.
In het verzet beoordeelt de rechtbank of deze niet-ontvankelijkverklaring terecht was. Opposant betwist dat de bijzondere beslistermijn van artikel 236, tweede lid, Gemeentewet van toepassing is op bezwaar tegen dwangsombeschikkingen, omdat deze bepaling limitatief is en alleen ziet op heffing van belastingen.
De heffingsambtenaar stelt dat de bijzondere beslistermijn ook geldt voor bezwaar tegen dwangsombesluiten. De rechtbank oordeelt echter dat uit artikel 236 Gemeentewet Pro niet zonder meer volgt dat deze termijn ook op bezwaar tegen dwangsombesluiten van toepassing is. Daarom was de niet-ontvankelijkverklaring ten onrechte en wordt het verzet gegrond verklaard.
De eerdere uitspraak vervalt en de zaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer voor inhoudelijke behandeling op zitting. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van opposant, vastgesteld op € 837, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf vier weken na dagtekening van de uitspraak.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer voor inhoudelijke behandeling.