Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
1.Procesgang
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
cumulative judgementvan de
Regional Court in Poznań(Polen) van 6 maart 2020 (referentienummer: III K 538/19). Uit het EAB blijkt dat er twee vonnissen aan dit cumulatieve vonnis ten grondslag liggen:
- Judgementvan de
Regional Court in Poznań(Polen) van 18 november 2015 (referentienummer: III K 161/10); - Judgementvan de
Regional Court in Poznań(Polen) van 30 juni 2017, III K 51/09.
voorgenomenproces. Ook blijkt uit onderdeel D dat de opgeëiste persoon een raadsman heeft aangezocht, dat hij zijn advocaat heeft gemachtigd en dat deze advocaat de verdediging van de opgeëiste persoon heeft gevoerd. Daarmee doet zich de situatie voor als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is niet van toepassing.
Court of Appealsin Poznan (II Aka 152/18). Als de strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 van Pro de OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. De rechtbank leidt uit de aanvullende informatie af dat aan die voorwaarde is voldaan. De rechtbank zal daarom alleen de beslissing in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW Pro. [5]
Court of Appeals) op de hoogte heeft gebracht van de medische situatie van de opgeëiste persoon, maar dat het Poolse hof daarin kennelijk geen aanleiding heeft gezien om de zaak aan te houden. Daarbij is er door het Poolse hof volgens de stukken van de Poolse advocaat onder andere rekening mee gehouden dat de opgeëiste persoon
is represented by his defense counsel.Ook was de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de zitting niet verplicht. De rechtbank gaat ervan uit dat het Poolse hof hiertoe kon beslissen en dat daarbij de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in ogenschouw zijn genomen. Gelet op bovenstaande omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.
4.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU
7.Slotsom
8.Toepasselijke wetsbepalingen
9.Beslissing
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Poznań(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.