ECLI:NL:RBAMS:2023:3743

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 juni 2023
Publicatiedatum
15 juni 2023
Zaaknummer
13/036030-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 266 SrArt. 285 SrArt. 300 SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks bezwaren over detentie en procedure

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon werd verdacht van diverse strafbare feiten, waaronder mishandeling, bedreiging en diefstal, waarvoor een resterende gevangenisstraf van ruim twee jaar openstaat.

De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon niet persoonlijk aanwezig was bij de Poolse zitting, wat volgens artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW) een weigeringsgrond kan zijn. De rechtbank verwierp dit verweer omdat het EAB ondubbelzinnig vermeldde dat de persoon wel aanwezig was en de ontkenning onvoldoende was om daarvan af te wijken.

Daarnaast werd bezwaar gemaakt tegen de detentieomstandigheden in Polen, mede vanwege ernstige psychische problematiek van de opgeëiste persoon en de dood van zijn vader in Poolse detentie. De rechtbank stelde vast dat er geen objectieve en actuele gegevens waren die een algemeen risico op onmenselijke behandeling in Poolse gevangenissen aantoonden, zodat dit bezwaar niet tot aanhouding van de procedure leidde.

De rechtbank constateerde wel dat er structurele gebreken zijn in de Poolse rechtsorde, maar dat de opgeëiste persoon geen concrete aanwijzingen had geleverd dat deze gebreken zijn zaak hebben beïnvloed. Ook werd een lopende strafzaak in Nederland als geen beletsel voor overlevering beoordeeld.

Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat het EAB aan de wettelijke eisen voldoet en geen weigeringsgronden aanwezig zijn, zodat de overlevering aan Polen wordt toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/036030-23
Uitspraak inzake: [opgeëiste persoon]
Datum uitspraak: 14 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 16 februari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 augustus 2022 door
the Regional Court of Suwałki(Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 26 april 2023
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 april 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door een tolk in de Poolse taal. Met analoge toepassing van artikel 509c Sv is last gegeven aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand om per ommegaande een advocaat aan te wijzen voor de opgeëiste persoon. Het onderzoek is geschorst tot de zitting van 10 mei 2023.
Zitting van 10 mei 2023
De behandeling is in gewijzigde samenstelling opnieuw aangevangen op 10 mei 2023, in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.A.C. van den Brink, advocaat in Almere, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst voor bepaalde tijd tot 1 juni 2023. Daarnaast heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Vervolgens heeft de rechtbank de beslistermijn nogmaals met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen en verlengd op grond van artikel 27, derde lid, OLW met de hiervoor vermelde verlenging van 30 dagen
op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW.
Zitting van 1 juni 2023
De behandeling van de vordering is, met toestemming van de raadsman en de officier van justitie, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 1 juni 2023, in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. W.H.R. Hogewind. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.A.C. van den Brink en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van 1 december 2020 van
the District Court of Olecko, met kenmerk: II.K.618/18.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, vier maanden en 18 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro
De raadsman heeft verzocht om de behandeling van het EAB aan te houden, omdat het dossier aanleiding geeft voor twijfel aan de informatie in het EAB, inhoudende dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de zitting die tot de beslissing heeft geleid. Het zich in het dossier bevindende
Form Ais geheel in het Engels ingevuld, maar onder punt 294
“Tried in person”staat JA ingevuld. Het lijkt of dit later is toegevoegd, omdat dit in het Nederlands staat en dit in een ander lettertype lijkt te zijn, aldus de raadsman. Daarbij ontkent de opgeëiste persoon dat hij aanwezig was bij de zitting die tot de beslissing heeft geleid. Daarom moet dit nader worden onderzocht.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen de gevraagde aanhouding.
De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek af. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is onvoldoende om niet van deze informatie uit te gaan. Daarbij verschilt de informatie in het EAB niet van de informatie in
Form A. In beide staat dat de opgeëiste persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Dat de informatie in
Form Ain het Nederlands en in een ander lettertype zou zijn ingevuld, is evenmin reden voor twijfel aan de verstrekte informatie in het EAB. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding nadere vragen hierover te stellen.

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
I. - mishandeling
- belediging
- bedreiging met zware mishandeling
- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
- wederrechtelijke vrijheidsberoving
II. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
III. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
IV. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
V. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
VI. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
VII. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
VIII. Diefstal
IX. - diefstal
- poging tot diefstal

5.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

De raadsman heeft om aanhouding verzocht om nader onderzoek te doen naar mogelijke mensenrechtenschending. Bij de opgeëiste persoon is ernstige psychische problematiek vastgesteld. Een indicatie voor het bestaan van deze problematiek vloeit voort uit de beschrijving van de feiten en de omstandigheden waaronder deze strafbare feiten volgens de Poolse autoriteiten door de opgeëiste persoon gepleegd zouden zijn. Ook de ervaringen van de opgeëiste persoon tijdens eerdere detentie in Polen spelen een rol. De opgeëiste persoon zat eerder een jarenlange gevangenisstraf uit in de gevangenis van Przytvtystare. Zijn vader was ook gedetineerd in deze gevangenis. Zijn vader bevond zich in een kwetsbare positie, onder andere vanwege zijn ernstige gezondheidsklachten. Hij is in conflict geraakt met de autoriteiten en gevangenisdirectie omdat hem stelselmatig de nodige medische hulp werd geweigerd. De vader van de opgeëiste persoon is in detentie om het leven gekomen. De familie heeft geprobeerd de doodsoorzaak te laten vaststellen en de autoriteiten hun verantwoordelijkheid te laten nemen. Hierdoor heeft de opgeëiste persoon het zeer zwaar gehad in detentie. De opgeëiste persoon vreest dat hij bij overlevering in dezelfde gevangenis zal worden geplaatst en dat het gevangenispersoneel, de directie en de medegedetineerden het op hem voorzien zullen hebben, omdat ze hem verantwoordelijk houden voor het gedrag van zijn vader en voor problemen naar aanleiding van zijn overlijden.
Volgens de raadsman moet eerst worden onderzocht of de opgeëiste persoon passende behandeling en medische verzorging in de Poolse gevangenis kan krijgen. Dit onderzoek moet door het openbaar ministerie worden uitgevoerd en niet door de verdediging.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding.
De rechtbank overweegt als volgt.
Bij de toetsing van het verweer van de raadsman hanteert de rechtbank het kader, zoals dat is gegeven door in de uitspraak Aranyosi en Căldăraru. [4]
De rechtbank stelt vast dat zij niet beschikt over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden, waaruit volgt dat sprake is van een algemeen risico op gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden in Poolse detentie, ook niet wanneer deze gedetineerden psychische problemen zouden hebben. Stukken met dergelijke gegevens zijn niet overgelegd en de rechtbank is hier ook ambtshalve niet mee bekend. Dat betekent dat geen algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in Polen kan worden vastgesteld, waardoor de rechtbank ook niet toekomt aan de vraag of een dergelijk gevaar concreet voor de opgeëiste persoon geldt. De psychische en medische gesteldheid van de opgeëiste persoon kunnen daarom niet leiden tot de conclusie dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Deze omstandigheden kunnen mogelijk wel op grond van artikel 35 OLW Pro een rol spelen bij de afweging of feitelijke overlevering (tijdelijk) achterwege zou moeten blijven. De rechtbank verwerpt het verweer en ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden, zoals de raadsman heeft verzocht.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

7.Artikel 36 OLW Pro

De raadsman heeft aangevoerd dat er nog een strafzaak in Nederland loopt, wat volgens hem tot weigering op grond van artikel 36 OLW Pro kan leiden.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een nog lopende strafzaak geen omstandigheid vormt die aan de beoordeling van het overleveringsverzoek in de weg staat. Ingevolge artikel 36, eerste lid, OLW kan de Nederlandse strafzaak aanleiding vormen om, indien de overlevering wordt toegestaan, de feitelijke overlevering uit te stellen. Een dergelijke strafzaak levert echter geen weigeringsgrond op. De rechtbank verwerpt het verweer.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 266, 285, 300, 310 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court of Suwałki(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. B. Yeşilgöz en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (