Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[appellant] ,
Feiten
Procedure
Standpunt van de verdediging
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Beoordeling
Beslissing
gegrond.
Rechtbank Amsterdam
Op 23 oktober 2022 deed de eigenaar van een pand aangifte van huisvredebreuk omdat appellant zich zonder toestemming in het pand bevond. De officier van justitie verzocht op 28 november 2022 de rechter-commissaris om een machtiging tot ontruiming van het pand te verlenen, welke op 1 december 2022 werd toegekend.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze machtiging. De verdediging stelde dat de rechter-commissaris uitsluitend op basis van de destijds beschikbare informatie had mogen beslissen en dat het spoedeisend belang ontbrak. Het Openbaar Ministerie betoogde dat de ontruiming noodzakelijk was vanwege de renovatie en de gevaarlijke staat van het pand.
De rechtbank oordeelde dat een ex tunc-toetsing vereist is en dat het spoedeisend belang onvoldoende was onderbouwd. De geplande werkzaamheden konden niet spoedeisend worden genoemd omdat zij afhankelijk waren van de leegstand van een aangrenzend pand. Ook was onvoldoende aangetoond dat het pand een gevaar voor de openbare orde vormde. Hierdoor was de machtiging in strijd met het huisrecht zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank verklaarde het hoger beroep gegrond en vernietigde de machtiging tot ontruiming. Tegen deze beslissing staat het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de machtiging tot ontruiming wordt vernietigd wegens onvoldoende spoedeisend belang.