De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een veroordeelde die was veroordeeld voor handel in harddrugs in de periode van 1 september 2019 tot en met 9 juni 2020. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €34.951,57, dat later werd verminderd tot €31.805,94 na aftrek van opbrengsten van verbeurd verklaarde goederen.
De verdediging betwistte de berekeningswijze van het ontnemingsrapport, met name de extrapolatie van de opbrengsten over de getapte periode en de toerekening van opbrengsten wanneer de auto van veroordeelde niet aanwezig was bij leveringen. De rechtbank verwierp deze bezwaren en achtte de onderbouwing van het ontnemingsrapport consistent en voldoende.
De rechtbank schatte het totale wederrechtelijk verkregen voordeel op €33.023,53, gebaseerd op een gedetailleerde analyse van verkoopopbrengsten, inkoopkosten cocaïne, en autokosten. Na aftrek van de waarde van de verbeurd verklaarde auto en in beslag genomen kleding, die gezamenlijk werden vastgesteld op €4.420, werd de betalingsverplichting vastgesteld op €28.603,53.
De rechtbank bepaalde tevens de maximale duur van gijzeling die de officier van justitie kan vorderen op 572 dagen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en is gebaseerd op het vonnis in de onderliggende strafzaak, het ontnemingsrapport en aanvullende bewijsstukken.