De rechtbank Amsterdam behandelt de vordering tot overname en tenuitvoerlegging van een in Canada opgelegde gevangenisstraf van dertien jaar tegen een veroordeelde met de Nederlandse nationaliteit. Op de zitting van 29 juni 2023 heeft de officier van justitie gevorderd dat de straf in Nederland wordt omgezet naar een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden, terwijl de raadsman primair verzocht de straf om te zetten naar 0 dagen en subsidiair een straf van één jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk, te laten opleggen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de identiteit van de veroordeelde klopt en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. De Canadese autoriteiten hebben informatie verstrekt over mogelijke vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling, met verschillende data voor tijdelijke afwezigheid en voorwaardelijke vrijlating, waarvan de eerste mogelijke volledige vervroegde invrijheidstelling op 12 februari 2027 zou zijn.
De officier van justitie stelt dat dit leidt tot een mogelijke strafoplegging van maximaal zes jaar en vier maanden in Nederland zonder risico op verzwaring van de Canadese straf. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over deze informatie. De rechtbank oordeelt echter dat de verstrekte informatie onvoldoende duidelijkheid biedt over de datum waarop de veroordeelde met grote mate van waarschijnlijkheid in Canada vervroegd of voorwaardelijk zou zijn vrijgelaten.
Daarom wordt het onderzoek heropend en geschorst om nadere informatie via het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij de Canadese autoriteiten op te vragen. Tevens beveelt de rechtbank een oproeping van de veroordeelde tegen een nader te bepalen datum en tijdstip met kennisgeving aan zijn raadsman.