Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2023:4327

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 juli 2023
Publicatiedatum
11 juli 2023
Zaaknummer
13/083009-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 18 Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissenArt. 44 EVHR 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:770
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening onderzoek over tenuitvoerlegging Canadese gevangenisstraf in Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelt de vordering tot overname en tenuitvoerlegging van een in Canada opgelegde gevangenisstraf van dertien jaar tegen een veroordeelde met de Nederlandse nationaliteit. Op de zitting van 29 juni 2023 heeft de officier van justitie gevorderd dat de straf in Nederland wordt omgezet naar een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden, terwijl de raadsman primair verzocht de straf om te zetten naar 0 dagen en subsidiair een straf van één jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk, te laten opleggen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de identiteit van de veroordeelde klopt en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. De Canadese autoriteiten hebben informatie verstrekt over mogelijke vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling, met verschillende data voor tijdelijke afwezigheid en voorwaardelijke vrijlating, waarvan de eerste mogelijke volledige vervroegde invrijheidstelling op 12 februari 2027 zou zijn.

De officier van justitie stelt dat dit leidt tot een mogelijke strafoplegging van maximaal zes jaar en vier maanden in Nederland zonder risico op verzwaring van de Canadese straf. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over deze informatie. De rechtbank oordeelt echter dat de verstrekte informatie onvoldoende duidelijkheid biedt over de datum waarop de veroordeelde met grote mate van waarschijnlijkheid in Canada vervroegd of voorwaardelijk zou zijn vrijgelaten.

Daarom wordt het onderzoek heropend en geschorst om nadere informatie via het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij de Canadese autoriteiten op te vragen. Tevens beveelt de rechtbank een oproeping van de veroordeelde tegen een nader te bepalen datum en tijdstip met kennisgeving aan zijn raadsman.

Uitkomst: Het onderzoek wordt heropend en geschorst om nadere informatie over vervroegde invrijheidstelling in Canada op te vragen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/083009-23
Datum uitspraak: 13 juli 2023
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 18 van Pro de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van
2 mei 2023 en strekt onder meer tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een rechterlijke beslissing van
the Supreme Court of British Columbia(Canada) van
14 oktober 2022. Deze rechterlijke beslissing houdt onder meer in de veroordeling tot een
vrijheidsbenemende straf van dertien jaren van:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [naam PI] ,
verder te noemen: veroordeelde.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 29 juni 2023. Daarbij zijn de raadsman van veroordeelde, mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam – bijgestaan door mr. S.J. Linck – en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, gehoord.
Zoals blijkt uit een formulier “afstand verhoor” heeft veroordeelde op 26 juni 2023 afstand gedaan van zijn recht ter zitting te verschijnen. De raadsman, die heeft verklaard dat hij is gemachtigd door veroordeelde om zijn verdediging te voeren, heeft geen bezwaar gemaakt tegen voortzetting van de zitting.

2.Identiteit veroordeelde

De rechtbank heeft de identiteit van veroordeelde onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Heropening van het onderzoek

De Canadese autoriteiten hebben de overdracht en tenuitvoerlegging verzocht van de rechterlijke beslissing van
the Supreme Court of British Columbiavan 14 oktober 2022, nr. R.v. [veroordeelde] , 2022 BCSC 1810.
De officier van justitie heeft – kort samengevat – gevorderd dat de tenuitvoerlegging aldus dient plaats te vinden dat een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden wordt opgelegd.
De raadsman heeft – kort samengevat – de rechtbank primair verzocht artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen en op basis daarvan de in Canada opgelegde gevangenisstraf om te zetten naar 0 dagen. Subsidiair heeft hij de rechtbank verzocht een gevangenisstraf van één jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk, op te leggen.
De vordering van de officier van justitie en het standpunt van de raadsman zijn volledig (zakelijk) weergegeven in het bij deze tussenuitspraak opgemaakte proces-verbaal van de zitting van 29 juni 2023. De officier van justitie en de raadsman hebben verschillende punten naar voren gebracht, waarover de rechtbank zal moeten oordelen. Eén van die punten betreft de datum waarop veroordeelde in Canada in het meest gunstige geval (vervroegd of voorwaardelijk) in vrijheid zou kunnen worden gesteld. De rechtbank is in raadkamer tot de conclusie gekomen op dit punt meer informatie van de Canadese autoriteiten nodig te hebben en zal daartoe het onderzoek heropenen. De rechtbank ligt dit als volgt toe.
Kader
De rechtbank moet onderzoeken of een eventuele vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling waartoe in de verzoekende staat bij voortgezette tenuitvoerlegging zeker of met grote mate van waarschijnlijkheid zou zijn overgegaan, van dien aard zou zijn geweest dat de veroordeelde door de in Nederland opgelegde straf in een nadeliger positie zou zijn komen te verkeren wat de daadwerkelijke duur van zijn detentie betreft (vgl. HR 31 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:770,
NJ2016/37, ten aanzien van artikel 44, eerste lid, van het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafvonnissen)
Verstrekte informatie
Bij e-mail van 27 juni 2023 is door tussenkomst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid de volgende vraag gesteld aan de Canadese autoriteiten:
If the Canadian sentence would have been executed in Canada, would Mr. [veroordeelde] have been eligible for early or conditional release and, if so, when?
Bij e-mail van dezelfde datum hebben de Canadese autoriteiten de volgende informatie verstrekt:
Had Mr. [veroordeelde] ’s sentence been executed in Canada, he would have been eligible for the following conditional releases:
Unescorted Temporary Absence: 2024/12/13
Day Parole Eligibility Date: 2026/08/12
Full Parole Eligibility Date: 2027/02/12
Statutory Release Date: 2031/06/14**
Warrant Expiry Date: 2035/10/13**
**The only mandatory release dates, for this sentence, are the statutory release and warrant expiry dates.
Standpunt van de officier van justitie over de verstrekte informatie
Volgens de officier van justitie blijkt uit de verstrekte informatie dat de eerste mogelijkheid voor gehele vervroegde invrijheidstelling (VI) bestaat per 12 februari 2027. Daarbij heeft hij het volgende opgemerkt.

Hoewel het intreden van deze VI niet waarschijnlijk lijkt, gelet op de zaak en het verleden van andere procedures omtrent VI, kan er wel op de volgende manier rekening mee worden gehouden. De tijd gerekend vanaf de ‘sentencing date’ van
14 oktober 2022 tot 12 februari 2027 is een duur van 4 jaar en 4 maanden. Als de VI van de Canadese straf mogelijk ook in NL eerst ingaat op 12 februari 2027, dan is er geen reden tot verdere aanpassing van de straf wegens de VI bepalingen. Dat staat gelijk aan een mogelijke strafoplegging van totaal 6 jaar en 4 maanden gevangenisstraf. Deze straf kan dan maximaal opgelegd worden, zonder enig risico van verzwaring van de Canadese straf.”
Geen standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen (subsidiair) standpunt ingenomen over de verstrekte informatie en VI-datum in Canada.
Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank vindt dat in het licht van het bij het kader weergegeven criterium de verstrekte informatie onvoldoende duidelijkheid biedt. Daarom verzoekt de rechtbank de officier van justitie door tussenkomst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid bij de Canadese autoriteiten na te vragen per wanneer de verzoekende staat bij voortgezette tenuitvoerlegging in Canada zeker of met grote mate van waarschijnlijkheid de veroordeelde vervroegd of voorwaardelijk in vrijheid zou hebben gesteld. De rechtbank verzoekt de officier van justitie daartoe zo nodig dan wel indien gewenst door de Canadese autoriteiten nadere informatie te verstrekken aan de Canadese autoriteiten.

4.Beslissing

HEROPENT EN SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen door tussenkomst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid nadere informatie bij de Canadese autoriteiten op te vragen, zoals in rubriek 3 bij de overwegingen van de rechtbank toegelicht.
BEVEELTde oproeping van veroordeelde tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
Aldus gewezen door:
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en J.H. Beestman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2023.