Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
31 maart 2015.
Hoge Raad
Deze zaak betreft het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake de overname van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf opgelegd in België. De veroordeelde betwistte dat de opgelegde straf in Nederland correct was omgezet, met name gezien de verschillen in voorwaardelijke invrijheidstelling tussen België en Nederland.
De verdediging stelde dat de strafrechtelijke positie van de veroordeelde niet mocht worden verzwaard en dat in België doorgaans na het uitzitten van een derde van de straf voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. De rechtbank onderzocht deze stelling en concludeerde dat de procedure voor voorwaardelijke invrijheidstelling in België tamelijk langdurig is (ongeveer zes maanden of langer) en dat de detentie dus niet netto slechts een derde van de straf zou bedragen.
De Hoge Raad bevestigde dat de rechtbank terecht de waarschijnlijkheid van de strafrechtelijke positie in België heeft onderzocht en dat de opgelegde straf in Nederland niet tot een nadeliger positie leidt. Het cassatieberoep werd verworpen, waarbij de Hoge Raad herhaalde dat de strafrechtelijke positie niet mag worden verscherpt bij omzetting van buitenlandse straffen, maar dat de beoordeling hiervan soms op waarschijnlijkheid berust.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de strafoplegging met een vermindering van 167 dagen.