Papillon en Scholtus hadden een samenwerkingsovereenkomst waarbij Papillon bedrijfsruimte huurde bij Scholtus. Eind augustus 2020 gaf Papillon aan de samenwerking te willen beëindigen, waarna de feitelijke samenwerking in december 2020 stopte. De kern van het geschil betrof of Papillon nog aanspraak kon maken op schadevergoeding wegens tekortkomingen van Scholtus en of Scholtus gemiste huurinkomsten en fees kon vorderen vanwege het niet naleven van de opzegtermijn door Papillon.
De rechtbank oordeelde dat partijen een beëindigingsovereenkomst op hoofdlijnen hadden gesloten, waarin zij overeenkwamen de samenwerking per december 2020 te beëindigen, Papillon de huur en omzetfee tot die datum zou betalen, Scholtus geen aanspraak zou maken op huur en fees over de resterende opzegtermijn in 2021, en Papillon geen schade zou vorderen. Hoewel er nog discussie was over uitvoeringsdetails zoals de datum van vertrek en afrekening van bepaalde posten, stonden deze niet ter discussie als hoofdpunten.
Hierdoor werd de vordering van Papillon tot schadevergoeding afgewezen en werd zij veroordeeld in de proceskosten. Scholtus kon geen huur en omzetfee over 2021 vorderen, maar kreeg wel een restantbedrag van € 2.651,13 toegewezen voor de afrekening per december 2020, inclusief rente. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd.