AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beschikking tot achterwege laten van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens weigering medewerking reclassering
De rechtbank Amsterdam heeft op 10 augustus 2023 uitspraak gedaan over de vordering van het Openbaar Ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) van een veroordeelde achterwege te laten. De veroordeelde is sinds 14 januari 2014 gedetineerd na een onherroepelijk vonnis van het Gerechtshof Amsterdam dat hem een gevangenisstraf van 10 jaar en 243 dagen oplegde. Eerdere beslissingen van de rechtbank tot uitstel van de v.i. met respectievelijk 180 en 750 dagen waren reeds genomen.
De grondslag voor de vordering is artikel 6:2:12 vanPro het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat de v.i. kan worden uitgesteld of achterwege gelaten indien bepaalde omstandigheden zich voordoen, waaronder het niet meewerken aan voorwaarden die het recidiverisico beperken. De veroordeelde heeft geweigerd in gesprek te gaan met de reclassering en verklaarde in een schriftelijke verklaring dat hij uit protest tegen een vermeende gerechtelijke dwaling alles weigert, ondanks de gevolgen.
De rechtbank heeft het standpunt van het Openbaar Ministerie gevolgd dat door het ontbreken van wijzigingen in relevante feiten en omstandigheden sinds de vorige beslissing en de weigering van de veroordeelde om mee te werken, de v.i. achterwege moet blijven. De vordering is daarom toegewezen en deze beslissing is onherroepelijk. Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering toe en laat de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde achterwege vanwege diens weigering medewerking te verlenen aan de reclassering.
Beslissing op de vordering van het Openbaar Ministerie op grond van artikel 6:6:8 vanPro het Wetboek van Strafvordering (Sv) [1] tot het uitstellen/achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) van
[veroordeelde]
geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie 1] ,
hierna: de veroordeelde.
1.Onderzoek
De beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van
10 augustus 2023. Op de zitting waren mr. A. Kramer, officier van justitie, en de raadsvrouw van veroordeelde, mr. A.M. Timorason, advocaat in Amsterdam, aanwezig.
Veroordeelde heeft afstand gedaan van zijn recht op zitting aanwezig te zijn.
De rechtbank heeft kennisgenomen van onder meer de volgende stukken:
de vordering van de officier van justitie, op 19 juli 2023 op de griffie van de rechtbank ontvangen;
een schriftelijke verklaring van veroordeelde van 17 juli 2023;
het v.i.-advies van P.I. [plaats detentie 2] van 6 juni 2023;
het reclasseringsadvies van 25 mei 2023;
de beslissing van 12 augustus 2021 van de rechtbank Amsterdam tot uitstel van de v.i. met 750 dagen;
de beslissing van 24 februari 2021 van de rechtbank Amsterdam tot uitstel van de v.i. met 180 dagen.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat zij en de raadsvrouw van veroordeelde naar voren hebben gebracht.
2.Procesgang
Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof Amsterdam van 14 december 2018, is aan de veroordeelde – onder meer – een gevangenisstraf opgelegd van 10 jaar en 243 dagen, met aftrek van de tijd die door de veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.
De tenuitvoerlegging van deze straf is met ingang van 14 januari 2014 gestart.
Rekening houdende met de beslissingen van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2021 en 12 augustus 2021 tot uitstel van de v.i. zal veroordeelde op 8 september 2023 voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld.
3.Inhoud van vordering
De vordering van het Openbaar Ministerie strekt ertoe dat de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege wordt gelaten.
De vordering is inhoudelijk gegrond op artikel 6:2:12 SvPro. Kort gezegd houdt de grond het volgende in. De veroordeelde is opnieuw niet bereid geweest in gesprek te gaan met de reclassering. Er hebben zich dus geen wijzigingen voorgedaan in de voor de beoordeling van de v.i. relevante feiten en omstandigheden sinds de v.i.-beslissing van de rechtbank Amsterdam van 12 augustus 2021. Daarom geldt onverkort dat door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt dan wel dat de veroordeelde zich niet bereid heeft verklaard om te stellen voorwaarden na te leven.
4.Beoordeling
4.1
De v.i.-regeling
Volgens de v.i.-regeling geldt als uitgangspunt dat een veroordeelde, als is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:2:10 SvPro, vervroegd in vrijheid wordt gesteld na het ondergaan van het in dit artikel omschreven deel van de gevangenisstraf. Op grond van het bepaalde in artikel 6:2:12 SvPro kan de v.i. echter worden uitgesteld of achterwege blijven, als een of meer van de in dat artikel limitatief opgesomde omstandigheden zich voordoen. Deze beslissing wordt genomen door de rechtbank, op vordering van de officier van justitie.
4.2
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op de zitting de vordering tot het achterwege blijven van de v.i. gehandhaafd.
4.3
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op de zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en verder nog verwezen naar de schriftelijke verklaring van veroordeelde. In die verklaring staat, onder meer, het volgende:
Ik zit nu al bijna 10 jaar onschuldig vast. Als protest tegen deze gerechtelijke dwaling weiger ik alles, wetende dat ik hierdoor onterecht de volledige straf zal uitzitten.
4.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank vindt met de officier van justitie en op de door haar aangevoerde gronden dat de v.i. achterwege moet worden gelaten. Daarom wijst de rechtbank de vordering toe.
5.Beslissing
De rechtbank wijst de vordering tot achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe.
Deze beslissing is gegeven door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. E.G.M.M. van Gessel en L. Leerkes, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. R.R. Eijsten en J.M. Esschendal, griffier.
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 augustus 2023.
Tegen deze beslissing staat géén rechtsmiddel open.
Voetnoten
1.De verwijzingen naar artikelen in het Wetboek van Strafvordering in deze beslissing zien steeds op het oude Wetboek van Strafvordering.