De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 juni 2023 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Onderzoeksrechter van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. De opgeëiste persoon, met de Nederlandse nationaliteit, wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen, feiten die onder bijlage 1 van de Overleveringswet vallen.
De rechtbank onderzocht de identiteit en de inhoud van het EAB en stelde vast dat de strafbare feiten voldoen aan de vereisten voor overlevering. Er was een individuele detentiegarantie verstrekt door België, waarin werd verzekerd dat de detentieomstandigheden voldoen aan internationale standaarden, waaronder voldoende leefruimte, sanitaire voorzieningen en toegang tot dagactiviteiten. Dit nam het algemene gevaar van onmenselijke behandeling weg.
Hoewel de opgeëiste persoon de wens uitte om de straf in België uit te zitten, zag de rechtbank geen reden om toepassing te geven aan artikel 6, eerste lid, OLW, dat een facultatieve weigeringsgrond inhoudt. De overlevering werd afhankelijk gesteld van de terugkeergarantie, die inhoudt dat de opgeëiste persoon na veroordeling in België zijn straf in Nederland kan ondergaan.
Daarnaast was er sprake van samenloop met een Duits EAB. Na afweging van omstandigheden en argumenten van de officier van justitie en de raadsvrouw, gaf de rechtbank voorrang aan het Belgische EAB. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en geen weigeringsgronden bestaan, waardoor de overlevering wordt toegestaan met voorrang aan het Belgische EAB.