ECLI:NL:RBAMS:2023:5380

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 juni 2023
Publicatiedatum
21 augustus 2023
Zaaknummer
13/121810-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLW
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse verdachte aan Duitsland met voorrang aan Belgisch Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 14 juni 2023 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Köln. De verdachte, geboren in 1995, wordt verdacht van illegale handel in verdovende middelen, wat strafbaar is gesteld met een gevangenisstraf van ten minste drie jaar volgens Duits recht.

Hoewel een terugkeergarantie is verstrekt dat de verdachte na veroordeling zijn straf in Nederland mag uitzitten, wenst de verdachte zelf zijn straf in Duitsland te ondergaan. De rechtbank respecteert deze wens en ziet daarom af van toepassing van artikel 6, eerste lid, Overleveringswet (OLW) die de overlevering afhankelijk kan maken van deze garantie.

Er is tevens sprake van samenloop met een Belgisch EAB dat eerder is uitgevaardigd en ernstiger feiten betreft. Na afweging geeft de rechtbank voorrang aan het Belgische EAB. De rechtbank wijst de facultatieve weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro af, ondanks dat de feiten deels in Nederland zijn gepleegd, omdat dit onvoldoende aanleiding geeft tot weigering.

De overlevering aan Duitsland wordt toegestaan met voorrang aan het Belgische EAB. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering aan Duitsland toe met voorrang aan het Belgische Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

5

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/121810-23
Datum uitspraak: 14 juni 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 16 mei 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 mei 2023 door het
Amtsgericht Köln(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 mei 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie en de gemachtigde raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. L.M.E. Kleczewski, advocaat in Venlo.
De opgeëiste persoon heeft bij verklaring van 30 mei 2023 afstand gedaan van zijn recht om ter zitting van de rechtbank aanwezig te zijn.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een op 10 maart 2023 door het
Amtsgericht Keulenuitgevaardigd arrestatiebevel met zaaknummer 503 Gs 1051/23.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [2]

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
5. Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op de feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, hij deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Staatsanwaltschaft Kölnheeft op 31 mei 2023 de volgende garantie gegeven:
With reference to your e-mail dated 16.05.2023, I have the honour to submit the following assurance with regard to the requested extradition of the Dutch national [opgeëiste persoon] , born in [geboorteplaats] on [geboortedag] .1965. (de Rechtbank begrijpt 1995)
I give you the assurance that, in the event of a final conviction in the Federal Republic of Germany, the person prosecuted will be returned to the Netherlands for further enforcement of his sentence on the basis of the current version of Council Framework Decision 2008/909/JHA of 27 November 2008 on the application of the principle of mutual recognition to judgments in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union (OJ L 327, 05.12.2008, page 27).
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon graag de gevangenisstraf die hij eventueel opgelegd krijgt in Duitsland uit wil zitten.
De rechtbank is van oordeel dat artikel 6, eerste lid, OLW niet in de weg staat aan overlevering van de opgeëiste persoon. Artikel 6, eerste lid, geeft uitvoering aan artikel 4, onder 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ, welke bepaling er in het bijzonder toe strekt de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen een bijzonder gewicht toe te kennen aan de mogelijkheid om de kansen op sociale re-integratie van de opgeëiste persoon te verhogen. Artikel 6, eerste lid, OLW betreft echter een facultatieve weigeringsgrond, die restrictief moet worden uitgelegd. Uitgangspunt is dat de opgeëiste persoon wordt overgeleverd. De opgeëiste persoon heeft de uitdrukkelijke wens geuit om in Duitsland zijn gevangenisstraf uit te zitten. Hoewel er een terugkeergarantie is verstrekt, ziet de rechtbank, gelet op de wens van de opgeëiste persoon, echter aanleiding om af te zien van de mogelijkheid om toepassing te geven aan artikel 6, eerste lid, OLW en om de overlevering afhankelijk te maken van deze garantie. Dit is tevens in lijn met de jurisprudentie in het kader van artikel 6a, eerste lid, OLW.2 Deze beslissing heeft tot gevolg dat, in geval van een veroordeling tot een vrijheidsstraf, Duitsland niet gehouden is het vonnis ter erkenning en tenuitvoerlegging aan Nederland aan te bieden met het oog op tenuitvoerlegging van die straf in Nederland.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [3]
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan, dat:
- het onderzoek in Duitsland is aangevangen;
- het bewijs zich in Duitsland bevindt;
- de medeverdachten worden vervolgd in Duitsland;
- de verdovende middelen zijn ingevoerd en ingekocht in Duitsland;
- het openbaar ministerie niet voornemens is de vervolging van de feiten van het EAB

zelf te ondernemen.

De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn. De gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten vormt daarom het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.

7.Samenloop met een Belgisch EAB

Naast dit EAB is ten aanzien van de opgeëiste persoon nog een EAB door een Belgische uitvaardigende justitiële autoriteit uitgevaardigd (parketnummer 13/100558-23).
Standpunten van de raadsvrouw en de officier van justitie
De raadsvrouw en de officier van justitie hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat de overlevering op basis van het EAB uit België voorrang dient te krijgen.
De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd, dat het Belgische EAB eerder is uitgevaardigd, de feiten van het Belgische EAB ernstiger zijn en dat ten slotte de rechtbank bij uitspraak van
30 mei 2023 de overlevering aan België van een medeverdachte van de opgeëiste persoon
heeft toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in een eerdere uitspraak [4] een kaderbesluitconforme uitleg gegeven aan artikel 28, vierde lid, OLW, die inhoudt dat zij, in geval van samenloop van EAB’s uit verschillende lidstaten, op grond van een eigen afweging zal komen tot een oordeel over de vraag aan welk van de EAB’s voorrang dient te worden verleend. Artikel 26, derde lid, OLW geeft een aantal omstandigheden aan die bij de totstandkoming van het oordeel een rol kunnen spelen.
Kijkend naar die omstandigheden en naar hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat voorrang dient te worden gegeven aan overlevering op basis van het Belgische EAB.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er ook verder geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan, met voorrang voor het EAB uit België.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van aan
Amtsgericht Köln(Duitsland) voor de feiten zoals deze zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEPAALTdat
VOORRANGdient te worden gegeven aan het
Belgische EABmet parketnummer 13/100558-23, op grond waarvan de overlevering is toegestaan op 14 juni 2023.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J. G. Vegter, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 juni 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie onderdeel e) van het EAB.
3.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
4.Rechtbank Amsterdam 21 september 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5314.