ECLI:NL:RBAMS:2023:5413

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 augustus 2023
Publicatiedatum
22 augustus 2023
Zaaknummer
13/149378-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 Wetboek van StrafrechtArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLW
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks gelijkstellingsverweer

De rechtbank Amsterdam heeft op 22 augustus 2023 uitspraak gedaan over een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Rzeszów, Polen. Het EAB betreft de overlevering van een persoon geboren in Polen, zonder vaste verblijfplaats in Nederland, die een onherroepelijke vrijheidsstraf van twee jaar moet ondergaan. De zaak is behandeld in hoger beroep en cassatie in Polen, waarbij de rechtbank vaststelde dat de cassatieprocedure niet onder de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) valt.

De opgeëiste persoon voerde verweer op grond van gelijkstelling met een Nederlander, onderbouwd met arbeidscontracten vanaf december 2018. De rechtbank oordeelde echter dat niet is aangetoond dat de persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven, waardoor de gelijkstelling niet kan worden toegepast. Tevens is vastgesteld dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, diefstal door meerdere personen met braak, ook onder Nederlands recht strafbaar is.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de formele eisen en dat geen andere weigeringsgronden aanwezig zijn die de overlevering in de weg staan. Daarom is de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/149378-23
Datum uitspraak: 22 augustus 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 20 juni 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 april 2019 door
the District Court in Rzeszów, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 augustus 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.P.J. Heinrici, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judgment of the Regional Court in Strzyżów of 14 July 2017, file number II K 75/16.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog twee jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. [4]
In de aanvullende informatie van 11 juli 2023 van de uitvaardigende justitiële autoriteit staat dat er een proces in hoger beroep en in cassatie heeft plaatsgevonden.
De rechtbank is ambtshalve bekend met het feit dat in Polen de behandeling in cassatie een behandeling
in rechteis. Om die reden valt de cassatieprocedure niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [5]
Uit voornoemde aanvullende informatie blijkt dat de zaak voor het laatst in het proces in hoger beroep ten gronde is beoordeeld. Daarom zal de rechtbank alleen het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - zich een omstandigheid als in artikel 12, sub b, OLW heeft voorgedaan. In de voornoemde aanvullende informatie staat dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces en dat hij een gemachtigd advocaat had die tijdens het proces zijn verdediging heeft gevoerd. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.

4.Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel vandoor middel van braak.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijk gesteld met een Nederlander. Daarom moet de overlevering worden geweigerd en de straf worden overgenomen. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman arbeidscontracten van december 2018 overgelegd.
De rechtbank overweegt dat overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW kan worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
De rechtbank, is met de officier van justitie, van oordeel dat de opgeëiste persoon met de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Er is dus niet voldaan aan de eerste voorwaarde. Daarom kan de opgeëiste persoon niet worden gelijk gesteld met een Nederlander. Het verweer wordt verworpen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court in Rzeszów(Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 augustus 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas), ECLI:EU:C:2017:628.
5.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2023:1924.