ECLI:NL:RBAMS:2023:6050

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 augustus 2023
Publicatiedatum
28 september 2023
Zaaknummer
AMS 22/5772
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 7:3 Algemene wet bestuursrechtArt. 236 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting en afwijzing proceskostenvergoeding

Eiseres kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zij op 13 januari 2022 parkeerde zonder voldoende betaling in de juiste zone. De heffingsambtenaar trok de aanslag na bezwaar in, maar eiseres ging in beroep tegen de uitspraak op bezwaar.

Eiseres stelde dat zij ten onrechte niet gehoord was, recht had op een dwangsom wegens te late beslissing, en proceskostenvergoeding verdiende omdat zij bij de dichtstbijzijnde parkeerautomaat had betaald. De rechtbank oordeelde dat een hoorzitting niet verplicht was omdat eiseres hier niet om had verzocht en dat de beslissing binnen de wettelijke termijn was genomen. Ook was er geen sprake van beroepsmatige rechtsbijstand, zodat proceskostenvergoeding niet toekwam.

De rechtbank wees erop dat de naheffingsaanslag terecht was ingetrokken en dat eiseres het bedrag van €0,28 via een restitutieformulier kon terugvragen. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht bleef voor rekening van eiseres en er werd geen dwangsom of kostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en verzoeken tot proceskostenvergoeding en dwangsom worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/5772

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2023 in de zaak tussen

[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam,

(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 25 oktober 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiseres een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de naheffingsaanslag ingetrokken.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Overwegingen

2. Op 13 januari 2022 heeft eiseres haar auto met kenteken [kenteken] om 13:28 uur geparkeerd ter hoogte van [adres] in Amsterdam terwijl daarvoor geen of te weinig parkeerbelasting voor was betaald. Met het primaire besluit van 18 januari 2022 is daarom aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
3. Met de uitspraak op bezwaar van 25 oktober 2022 is het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Eiseres heeft namelijk wel voldoende parkeerbelasting betaald in een naastgelegen parkeerzone. Ondanks dat het de verantwoordelijkheid van eiseres is om in de juiste parkeerzone te betalen, heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag ingetrokken.
4. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Eiseres voert aan dat zij ten onrechte niet gehoord is in bezwaar. Daarnaast voert eiseres aan dat zij recht heeft op een dwangsom wegens een te late beslissing op haar bezwaar. Volgens eiseres dient de heffingsambtenaar haar kosten in bezwaar te vergoeden. Eiseres heeft namelijk bij de dichtstbijzijnde parkeerautomaat betaald en dus valt haar niets te verwijten. Ten slotte verzoekt eiseres de rechtbank om het bestuursorgaan te veroordelen om de onverschuldigd betaalde parkeerbelasting van 0,28 cent terug te betalen.
6. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft op de zitting aangegeven dat het standpunt wordt gehandhaafd dat geen kosten in bezwaar hoeven te worden vergoed, omdat het niet gaat om een aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid. Daarnaast blijkt ook niet dat er sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
7. De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar eiseres niet hoefde te horen in bezwaar. In artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting is bepaald dat een belanghebbende alleen op verzoek wordt gehoord. Eiseres heeft niet verzocht om een hoorzitting. Ten overvloede wijst de rechtbank ook op het gestelde in artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Algemene wet bestuursrecht.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet te laat op het bezwaar van eiseres beslist. Ingevolge artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet wordt op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar uitspraak wordt gedaan in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. De heffingsambtenaar heeft op 20 januari 2022 een bezwaarschrift ontvangen. Verweerder heeft op 25 oktober 2022 de uitspraak op bezwaar genomen. Dat is dus conform artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet in hetzelfde kalenderjaar. In artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet zijn bezwaarprocedures tegen naheffingsaanslagen niet uitgezonderd en is dat artikel dus ook in onderhavig geval van toepassing. Eiseres heeft daarom ook geen recht op een dwangsom.
9. De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen dat er geen aanleiding bestaat om de door eiseres gevraagde kosten in bezwaar te vergoeden. [de persoon] heeft eiseres bijgestaan tijdens de bezwaarprocedure. [de persoon] is echter werkzaam als jurist bij het [bedrijf] . Het optreden als gemachtigde in zaken doet hij naast zijn reguliere baan als jurist bij het [bedrijf] . Op grond van vaste rechtspraak [1] geldt echter dat het verlenen van beroepsmatige rechtsbijstand een vast onderdeel moet vormen van een duurzame op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat het een nevenactiviteit van [de persoon] betreft.
10. Ten slotte is ter zitting namens de heffingsambtenaar meegedeeld dat eiseres door middel van het invullen van een formulier restitutie, terugbetaling kan aanvragen van het bedrag van € 0,28.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Vijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2114.