Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding met producties,
- de incidentele conclusie tot verwijzing naar de kantonrechter,
- de incidentele conclusie van antwoord.
Rechtbank Amsterdam
In deze civiele procedure vordert eiser primair dat wordt vastgesteld dat er geen huurovereenkomst bestaat en dat gedaagde de bedrijfsruimte moet ontruimen. Subsidiair vordert eiser dat, indien er wel een huurovereenkomst bestaat, deze per 1 januari 2024 eindigt en ontruiming plaatsvindt.
Gedaagde verzoekt in een incident dat de zaak wordt verwezen naar de kamer voor kantonzaken, omdat het een zaak betreft die onder artikel 93 sub c Rv Pro valt. De rechtbank oordeelt dat de vordering van eiser betrekking heeft op een huurovereenkomst, ook al betwist eiser het bestaan daarvan. Hierdoor is de kantonrechter bevoegd.
De rechtbank wijst de vordering tot verwijzing toe, verklaart zich onbevoegd om de hoofdzaak te behandelen, veroordeelt eiser in de proceskosten van het incident en verwijst de zaak naar de kantonrechter. Partijen worden geïnformeerd over de procedurele gevolgen, waaronder het niet hoeven verschijnen op de rolzitting en het recht om zonder advocaat op te treden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak over de huurovereenkomst naar de kantonrechter.