ECLI:NL:RBAMS:2023:6226

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 oktober 2023
Publicatiedatum
9 oktober 2023
Zaaknummer
13/263643-22 (AB III)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OverleveringswetArt. 23 OverleveringswetArt. 1 OverleveringswetArt. 3 UitvoeringswetArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor fraude en softdrugsbezit

De rechtbank Amsterdam heeft op 3 oktober 2023 uitspraak gedaan over een vordering tot overlevering van een persoon aan Noorwegen op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De verdachte, een Noorse staatsburger, wordt verdacht van strafbare feiten waaronder fraude en bezit van softdrugs. De rechtbank heeft de identiteit van de verdachte vastgesteld en het aanhoudingsbevel beoordeeld op de vereisten van de Overeenkomst tussen de EU, IJsland en Noorwegen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat een deel van de feiten onder de lijst van artikel 3, vierde lid, van de Overeenkomst valt, waardoor geen dubbele strafbaarheid hoeft te worden getoetst. Voor het bezit van softdrugs, dat geen lijstfeit is, is wel dubbele strafbaarheid onderzocht en vastgesteld. De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar als opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.

Er zijn geen weigeringsgronden gevonden die de overlevering in de weg staan. De rechtbank heeft daarom de overlevering toegestaan. De uitspraak is gedaan door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter, en mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters, en is onherroepelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Noorwegen toe voor de strafbare feiten zoals omschreven in het aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer 13/263643-22 (AB III)
Datum uitspraak: 3 oktober 2023
UITSPRAAK
op de vordering op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet houdende uitvoering van de op
28 juni 2006 te Wenen tot stand gekomen Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (Uitvoeringswet) in verbinding met artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 24 juli 2023 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd op 29 augustus 2022 door de
Oslo Public Prosecutors’ Offices(Noorwegen). Het aanhoudingsbevel strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Noorwegen) op [geboortedag] 1984
laatst opgegeven adres: [adres]
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie detentie]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 september 2023. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. W.H.R. Hogewind.
De opgeëiste persoon heeft bij schriftelijke verklaring van 18 september 2023 afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Hij is vertegenwoordigd door zijn hiertoe gemachtigde raadsvrouw, mr. K.K. Hansen Löve advocaat in Amsterdam.
Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet Pro in verbinding met artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van artikel 22 OLW Pro uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Noorse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het aanhoudingsbevel

In het aanhoudingsbevel wordt melding gemaakt van de beslissing van
the Oslo District Courtvan 23 augustus 2022 tot het uitvaardigen van een
Judicial arrest warrant,case no: 22-118690ENE-TOSL/02.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Noors recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het aanhoudingsbevel.

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten vermeld op de lijst in artikel 3, vierde lid, Overeenkomst [1]
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van een deel van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst in artikel 3, vierde lid, Overeenkomst, te weten:
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap
worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de
bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;
Volgens de in rubriek c) van het aanhoudingsbevel vermelde gegevens is op deze feiten naar Noors recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die staat, te beoordelen of de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden.
Dat in het onderhavige geval voor het feit van afpersing geen lijstfeit opleveren, kan niet direct tot weigering van de overlevering leiden. In zo’n geval moet de rechtbank nagaan of dat feit strafbaar is naar Nederlands recht.
Pas wanneer ook naar Nederlands recht de strafbaarheid van het feit ontbreekt, rijst de vraag of de rechtbank gebruik maakt van de haar in de Overeenkomst geboden facultatieve weigeringsgrond.
De raadsvrouw heeft hieromtrent geen verweer gevoerd en de voormelde feiten zijn naar Nederlands recht evident strafbaar. De rechtbank zal daarom geen gebruik maken van de haar in de Overeenkomst geboden facultatieve weigeringsgrond.
Daarnaast leveren de feiten van het bezit van softdrugs in dit geval geen lijstfeit op. De rechtbank zal hierna voor deze feiten wel de dubbele strafbaarheid toetsen nu uit de e-mail van 11 augustus 2023 van de Noorse autoriteiten blijkt dat de maximale gevangenisstraf voor deze feiten 2 jaar bedraagt in plaats van de bij een lijstfeit vereiste maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaren.
4.2.
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat de feiten van het bezit van softdrugs in het onderhavige geval geen lijstfeit oplevert. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (Overeenkomst) genoemde vereisten.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het aanhoudingsbevel voldoet aan de in de Overeenkomst en Uitvoeringswet gestelde vereisten en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6.Toepasselijke wetsartikelen

  • artikelen 3 en 11 Opiumwet;
  • artikel 1 Overleveringswet Pro;
  • artikelen 1 en 3 van de Uitvoeringswet;
  • artikelen 2, 3 en 11 van de Overeenkomst.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Oslo Public Prosecutors’ Offices(Noorwegen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het aanhoudingsbevel.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 oktober 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen.