ECLI:NL:RBAMS:2023:6664

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 oktober 2023
Publicatiedatum
24 oktober 2023
Zaaknummer
AMS 23/1834
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting en onderzoeksplicht parkeerder

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 17 oktober 2023 uitspraak gedaan in een geschil over een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De eiser, die in Amsterdam woont, had een naheffingsaanslag ontvangen van de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, welke was opgelegd op 3 januari 2023. De eiser had bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard op 15 februari 2023. Hierop heeft de eiser beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 5 september 2023 was de eiser aanwezig, terwijl de heffingsambtenaar werd vertegenwoordigd door een gemachtigde.

De rechtbank heeft overwogen dat parkeerbelasting een objectieve belasting is, waarbij persoonlijke omstandigheden van de parkeerder, zoals ziekte, in principe geen rol spelen. De eiser voerde aan dat hij op het moment van de overtreding ziek was en daardoor vergat de auto van zijn moeder aan te melden op de bezoekersvergunning. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van overmacht, aangezien de eiser niet kon aantonen dat hij door een noodsituatie verhinderd was om aan zijn verplichtingen te voldoen.

Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de moeder van de eiser niet kon verwachten dat zij geen parkeerbelasting verschuldigd was, ondanks dat er mogelijk een busje voor het parkeerbord stond. De rechtbank benadrukte de onderzoeksplicht van de parkeerder, die inhoudt dat men bij het parkeren moet nagaan of er parkeerbelasting verschuldigd is. De rechtbank concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en verklaarde het beroep van de eiser ongegrond. Wel werd bepaald dat de heffingsambtenaar het door de eiser betaalde griffierecht van € 50,- diende te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/1834

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Met de uitspraak op bezwaar van 15 februari 2023 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2023.
Eiser is verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [gemachtigde]

Overwegingen

1. Op 29 december 2022 stond de auto van de moeder van eiser, met kenteken
[kenteken] stil in een parkeervak ter hoogte van [adres] te Amsterdam. Om
10.59
uur heeft een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan, vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
2. Volgens eiser is de naheffingsaanslag onterecht opgelegd. Eiser voert aan dat hij op dat moment ziek was met 40 graden koorts, waardoor hij is vergeten de auto van zijn moeder aan te melden op de bezoekersvergunning. Naar de mening van eiser dient de heffingsambtenaar rekening te houden met persoonlijke omstandigheden.
3. De rechtbank overweegt dat parkeerbelasting een objectieve belasting is, waarbij opzet en schuld geen rol spelen en in beginsel geen rekening wordt gehouden met persoonlijke omstandigheden, zoals het ziek zijn van eiser. Slechts in bijzondere gevallen kan strikte naleving van de regels met betrekking tot de verschuldigdheid van parkeerbelasting redelijkerwijs niet van de parkeerder worden gevergd (zogenoemde overmacht). Een beroep op overmacht kan alleen slagen indien de parkeerder in verband met een noodsituatie of een spoedeisende situatie verhinderd was of niet in staat was om parkeerbelasting te voldoen. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen sprake was van een situatie als hiervoor bedoeld. De rechtbank kan zich voorstellen dat eiser vanwege het ziek zijn er niet aan heeft gedacht om parkeergeld te betalen voor zijn moeder, maar dat komt voor zijn rekening en risico.
4. Voorts voert eiser aan dat zijn moeder niet kon weten dat zij parkeerbelasting verschuldigd was, omdat er regelmatig voor het parkeerbord busjes staan geparkeerd, waardoor het parkeerbord dan niet zichtbaar zou zijn geweest.
5. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van een parkeerder mag worden verwacht dat hij bij aanvang van het parkeren voldoende onderzoekt of parkeerbelasting verschuldigd is. Dit houdt in dat een parkeerder oplet of hij bebording ‘betaald parkeren’ of een parkeerautomaat passeert en dat hij zich nadat hij heeft geparkeerd inspant om te onderzoeken of voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd is. Dit wordt de onderzoeksplicht genoemd. [1] Dat er wellicht een busje geparkeerd stond voor een van de parkeerborden betekent niet dat de moeder van eiser er vanuit had mogen gaan dat er geen parkeerbelasting werd geheven op de plek waar zij geparkeerd stond. De moeder van eiser had even de straat op en neer kunnen lopen om de bebording te bekijken, ze had navraag kunnen doen bij eiser of had de website van de gemeente Amsterdam kunnen raadplegen.
6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser ten onrechte niet is gehoord, terwijl hij daarom wel had verzocht. De rechtbank gaat aan dit gebrek voorbij met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat eiser hierdoor niet is benadeeld. Hij heeft in bezwaar en beroep zijn standpunten schriftelijk voldoende naar voren kunnen brengen en ter zitting een mondelinge toelichting kunnen geven. Bovendien bestaat tussen partijen over de van belang zijnde feiten geen verschil van mening. In de schending van de hoorplicht ziet de rechtbank wel aanleiding om te bepalen dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht dient te vergoeden.
Conclusie
7. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 8 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:90.