ECLI:NL:RBAMS:2023:6920

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 november 2023
Publicatiedatum
1 november 2023
Zaaknummer
13/163536-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 10 OLW
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering verdachte op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 oktober 2023 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een verdachte geboren in 1993 zonder vaste verblijfplaats in Nederland. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 3 jaar en 6 maanden opgelegd door een Pools gerecht.

De raadsman van de verdachte voerde aan dat overlevering moest worden geweigerd op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW), omdat de verdachte niet persoonlijk was opgeroepen en niet aanwezig was bij de Poolse strafprocedure. De officier van justitie stelde dat de verdachte op de hoogte was van de procedure en de oproep was verzonden naar het door hem opgegeven adres.

De rechtbank concludeerde dat de verdachte uitdrukkelijk, weloverwogen en ondubbelzinnig afstand had gedaan van zijn recht op aanwezigheid en verdedigingsrechten, waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet in de weg staat. Tevens werd vastgesteld dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, voldoen aan het vereiste van dubbele strafbaarheid.

Hoewel er structurele gebreken zijn in de Poolse rechtsorde, werd geen concreet individueel gevaar voor een oneerlijk proces aangetoond. De rechtbank stond daarom de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/163536-23
Datum uitspraak: 1 november 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 1 september 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 juni 2023 door
the Circuit Court of Law in Swidnica, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993,
zonder vaste woon of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [locatie te plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 oktober 2023, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court of Law in Walbrzych(Polen) van 21 januari 2022, referentie: III K 1712/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, de oproep voor de zitting is hem niet in persoon uitgereikt en hij heeft zich niet doelbewust onttrokken aan het zicht van de Poolse autoriteiten. Hij was in Nederland om te werken, terwijl zijn vrouw en dochter nog woonachtig waren op het door de opgeëiste persoon opgegeven correspondentieadres in Polen. Het is niet aan hem te wijten dat de oproep daar niet is uitgereikt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon heeft bij de voorgeleiding verklaard dat hij wist dat er in Polen een strafzaak tegen hem liep en dat er een zitting werd gepland. Desondanks is hij naar Nederland vertrokken. Ook heeft de opgeëiste persoon een geldige adresinstructie ontvangen en is de oproep voor de zitting verzonden naar het door hem opgegeven adres.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en acht daarbij het volgende van belang.
In het EAB staat vermeld dat de oproepingen voor de zitting zijn verzonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres in Polen. Daarnaast is vermeld dat hij gedurende het opsporingsonderzoek een adresinstructie heeft ontvangen en is geïnformeerd over het feit dat het niet doorgeven van adreswijzigingen tot gevolg kan hebben dat de behandeling van de zaak in zijn afwezigheid zou plaatsvinden. Dat heeft de opgeëiste persoon in het verhoor bij de officier van justitie bevestigd.
Verder heeft de opgeëiste persoon bij dat verhoor verklaard dat hij op de hoogte was van de procedure, maar dat hij al naar Nederland was vertrokken toen de zittingsdatum werd gepland. Het klopt dat hij geen wijzigingen in zijn adres heeft doorgegeven en dat hij zelf ook niet heeft geïnformeerd naar de afloop van de zaak, omdat hij bang was om direct aangehouden te worden. Op vragen van de rechtbank of zijn vrouw en dochter – die nog op het opgegeven correspondentieadres woonden – de oproep voor de zitting in ontvangst hebben genomen, heeft de opgeëiste persoon ter zitting geantwoord dat hij zijn familie had verboden om zijn post voor hem op te halen.
Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de opgeëiste persoon uitdrukkelijk, weloverwogen en op ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn en zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.

4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C gegeven verbod.
Ten aanzien van feit 3:
opzetheling.

5.Weigeringsgrond van artikel 11 OLW Pro: Poolse rechtstaat

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 416 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Circuit Court of Law in Swidnica(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. J. Thomas en P. Sloot, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 november 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (