ECLI:NL:RBAMS:2023:7197

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 november 2023
Publicatiedatum
14 november 2023
Zaaknummer
C/13/732229 / FA RK 23-2359
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:227 BWArt. 1:228 BWArt. 1:230 BWArt. 1:238 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing adoptieverzoek meemoeder met bekende donor zonder Raadsonderzoek

Verzoeksters, een lesbisch stel met een geregistreerd partnerschap, vroegen de rechtbank Amsterdam om adoptie van het kind van verzoekster 2 door verzoekster 1. Het kind is geboren uit zelfinseminatie met sperma van een bekende donor, die geen opvoedende rol heeft. Verzoeksters kozen bewust voor adoptie in plaats van erkenning vanwege internationale erkenning.

De Raad voor de Kinderbescherming weigerde medewerking aan het onderzoek, wat leidde tot discussie over discriminatie en privacy. De rechtbank oordeelde dat het niet aan haar is om het besluit van de Raad over het onderzoek te toetsen en erkende de beleidswijziging van de Raad.

Gezien het bekende donorschap, de afspraken over statusvoorlichting en het belang van het kind, besloot de rechtbank geen onderzoek door de Raad te gelasten. De adoptie werd toegewezen met terugwerkende kracht tot de geboortedatum van het kind en de geslachtsnaam van verzoekster 1 werd vastgesteld.

Uitkomst: Verzoek tot adoptie door de meemoeder wordt toegewezen zonder onderzoek door de Raad, met terugwerkende kracht tot de geboortedatum van het kind.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/732229 / FA RK 23-2359
Beschikking van 13 november 2023 betreffende adoptie
in de zaak van:

1.[verzoekster 1] ,

en
2. [verzoekster 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
hierna mede te noemen verzoeksters,
advocaat mr. K.S.M. Smienk te Utrecht.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam, locatie Amsterdam,
hierna te noemen: de Raad.

1.De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het op 3 april 2023 ingekomen verzoek;
- de brief van de Raad van 4 mei 2023;
- het F9-formulier met bijlagen van verzoeksters van 12 mei 2023;
- de brief van de Raad van 3 juli 2023;
- de brief met bijlagen van verzoeksters van 20 juli 2023;
- het F9-formulier met bijlagen van 31 augustus 2023 van verzoeksters.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2023.
Verschenen zijn:
- verzoeksters, bijgestaan door hun advocaat,
- mevrouw [naam 1] , namens de Raad.

2.De feiten

2.1.
Verzoeksters hebben een relatie met elkaar. Zij zijn op 6 augustus 2021 te [woonplaats] een partnerschapsregistratie met elkaar aangegaan.
2.2.
Op [geboortedatum] 2023 is uit verzoekster [verzoekster 2] geboren:
[minderjarige] , te [geboorteplaats] , hierna mede te noemen [minderjarige] ,
als kind van verzoekster [verzoekster 2] .
2.3.
[minderjarige] is door en ten gevolge van zelfinseminatie verwekt met behulp van sperma van een bekende donor, [naam 2] . Uit de ondertekende verklaring van 28 februari 2023 blijkt dat de donor geen bezwaar heeft tegen de verzochte adoptie. Blijkens de donorovereenkomst zal de minderjarige niets van de donor als opvoedende ouder te verwachten hebben.

3.Het verzoek

Het verzoek strekt tot adoptie door verzoekster [verzoekster 1] van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2023,
als kind van verzoekster [verzoekster 2] .
Daarnaast wordt verzocht vast te stellen dat de adoptie terugwerkt tot aan de geboorte van het kind en te bepalen dat [minderjarige] de geslachtsnaam van [verzoekster 1] zal hebben.

4.De beoordeling

4.1.
Nu verzoeksters kiezen voor de rechtsmacht van de rechtbank Amsterdam en wensen dat de zaak niet wordt verwezen naar de bevoegde rechtbank, acht de rechtbank zich bevoegd kennis te nemen van het onderhavige verzoek.
4.2.
De rechtbank overweegt dat, sedert de inwerkingtreding van de wet van 25 november 2013 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie, er in beginsel geen noodzaak meer is om in zaken als de onderhavige juridisch ouderschap te verkrijgen middels een adoptieprocedure. Immers, verzoekster [verzoekster 1] kan ook door erkenning het ouderschap verkrijgen. Bovendien is duidelijk geworden dat de biologische vader geen rol zal spelen in de opvoeding en verzorging van [minderjarige] .
4.3.
Als een kind eenmaal is erkend door de meemoeder of het ouderschap van de meemoeder van rechtswege is ontstaan, dan behoort adoptie door de meemoeder niet meer tot de mogelijkheden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011-2012, 33 032, nr. 6). Uit diezelfde kamerstukken blijkt echter ook dat naast het introduceren van het ouderschap van rechtswege in deze situatie, is gekozen voor het handhaven van de mogelijkheid van adoptie. Ook is de wetgever zich bewust geweest van de verschillen tussen deze vormen van ouderschap wat betreft de erkenning daarvan in het buitenland.
4.4.
De rechtbank overweegt dat verzoeksters al vóór de geboorte van het kind een welbewuste keuze hebben gemaakt voor adoptie in plaats van erkenning. Dit wordt bevestigd door het feit dat zij al ruim voor de geboorte van het kind een verzoek tot adoptie bij de rechtbank hebben ingediend. Zij voeren als reden daarvoor aan dat ouderschap van rechtswege door de meemoeder in het buitenland nog niet gangbaar is, zodat het in het belang van [minderjarige] is dat hun verzoek wordt gehonoreerd. De rechtbank is van oordeel dat verzoeksters gezien het voorgaande voldoende belang hebben bij hun verzoek.
4.5.
De Raad heeft zich onthouden van advisering in deze zaak, nu verzoeksters hebben geweigerd om medewerking te verlenen aan het onderzoek van de Raad. Ter zitting heeft de Raad meegedeeld dat er sprake is van beleidswijziging en dat er thans in alle soortgelijke gevallen van adoptie in beginsel onderzoek wordt gedaan.
4.6.
Verzoeksters hebben – kort samengevat – aangegeven dat zij menen dat er sprake is van discriminatie doordat zij, als ouders van hetzelfde geslacht en in tegenstelling tot ouders van verschillend geslacht, terzake van de adoptie worden onderworpen aan een onderzoek van de Raad. [verzoekster 1] zou [minderjarige] ook kunnen erkennen om het ouderschap te verkrijgen in plaats van haar te adopteren en in dat geval zou de Raad ook niet betrokken zijn. Verzoeksters menen dat door een onderzoek in te stellen door de Raad hun rechten en die van de donor, waaronder het recht op privacy, worden geschonden.
4.7.
De wet bepaalt de taak en bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming. Ingevolge artikel 1:238 lid 3 BW Pro dient de Raad op verzoek of uit eigen beweging autoriteiten en instellingen van advies. Voor de eisen waaraan het onderzoek moet voldoen geldt geen andere maatstaf dan voor een op de voet van artikel 198 Rv Pro benoemde deskundige. Het is aan de Raad, als deskundige bij uitstek op het gebied van kinderbescherming, om te bepalen hoe hij zijn onderzoeken inricht en de daarop betrekking hebbende rapportages vormgeeft. De Raad heeft daarvoor richtlijnen en kwaliteitseisen opgesteld: Het protocol Afstand, Screening, Adoptie en Afstammingsvragen (ASAA) en het Kwaliteitskader Raad voor de Kinderbescherming 2021. Voorts is in artikel. 1:239 lid 5 BW Pro voorzien in een eigen klachtenregeling voor de Raad.
De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1976, m.nt. S.F.M. Wortmann, overwogen dat de Raad zich, uit hoofde van zijn taak, steeds moet laten leiden door het belang van het betrokken kind en zich niet begeven in een afweging van de belangen van de ouders. Met de standpunten en belangen van een ouder dient de Raad slechts rekening te houden voor zover het belang van het kind daartoe aanleiding geeft.
4.8.
Voorts is van belang dat de Raad een bestuursorgaan is en dat op zijn beslissingen de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is voor zover het beschikkingen zijn in de zin van de Awb (Kamerstukken II 1995/96, 24257, nr. 6, p. 8). De Raad moet zijn onderzoek in de nodige vrijheid en zelfstandigheid kunnen verrichten aldus hetgeen betekent dat een oordeel over de deugdelijkheid van het onderzoek terughoudend wordt getoetst, aldus de Hoge Raad in reeds genoemde uitspraak.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel is dat het niet aan de familierechter is om de beslissing van de Raad, dat er in deze zaak onderzoek moet worden verricht, te beoordelen. Voor zover verzoeksters menen dat er sprake is van discriminatie door de Raad kan de rechtbank daarover in deze zaak evenmin een oordeel uitspreken.
4.9.
De rechtbank overweegt dat het thans kennelijk een landelijke werkwijze van de Raad is om in dit soort zaken (eveneens) onderzoek in te stellen. De rechtbank begrijpt dat deze beleidswijziging in deze en vergelijkbare zaken stress geeft bij betrokkenen en dat dit nieuwe beleid een gevoel van ongelijkheid bij betrokkenen veroorzaakt. De rechtbank geeft de Raad in overweging om in iedere zaak aan de hand van het dossier te beoordelen of er daadwerkelijk een onderzoek nodig is en of sprake is van een zorgvuldige behartiging van de belangen van de minderjarige ten aanzien van de ontstaansgeschiedenis. Als daarvan sprake is kan de Raad wellicht afzien van onderzoek.
4.10.
Van de zijde van de Raad is tijdens de mondelinge behandeling voorts meegedeeld dat, los van de beleidswijziging ten aanzien van onderzoeken in vergelijkbare gevallen, in een situatie als deze waarin verzoeksters reeds het gezamenlijk gezag hebben en er sprake is van een bekende donor niet duidelijk is wat er verder nog zou moeten worden onderzocht. De Raad is wel van mening dat statusvoorlichting voor het kind belangrijk is.
4.11.
De rechtbank ziet in dit geval, alles afwegende, geen aanleiding om een onderzoek door de Raad te gelasten, gelet op het feit dat er een bekende donor is en de wijze waarop de moeders met de donor afspraken hebben gemaakt ten aanzien van de statusvoorlichting aan het kind, alsmede het feit dat er een overeenkomst is opgesteld waaruit blijkt dat het donorschap geen geheim zal zijn voor de minderjarige of haar omgeving.
De rechtbank is voorts gelet op de stukken en de afgelegde verklaringen ter zitting van oordeel dat de adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] is en dat aan het gestelde in de artikelen 1:227 en 1:228 BW voor zover van toepassing is voldaan. De rechtbank zal daarom het verzoek tot adoptie toewijzen.
4.12.
Aangezien het onderhavige verzoek tot adoptie is ingediend vóór de geboorte van [minderjarige] , werkt deze adoptie gelet op het bepaalde in artikel 1:230, tweede lid, BW terug tot het tijdstip van de geboorte van [minderjarige] , te weten tot [geboortedatum] 2023.
4.13.
Verzoeksters hebben tevens ter gelegenheid van de adoptie verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnaam [verzoekster 1] zal behouden. Het verzoek is op grond van artikel 1:5 lid 3 BW Pro toewijsbaar.
Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt uit de adoptie door verzoekster [verzoekster 1] van de minderjarige:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2023;
- stelt vast dat de verklaring van verzoeksters luidt dat de minderjarige de geslachtsnaam van verzoekster [verzoekster 1] zal dragen;
- gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats] een latere vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akten toe te voegen;
- wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. M.E.A. Nijssen, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier, op 13 november 2023. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).