ECLI:NL:RBAMS:2023:7706
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering beëindiging huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik na renovatie
De zaak betreft een vordering van Woningbouw II tot beëindiging van de huurovereenkomst met huurder [gedaagde] wegens dringend eigen gebruik in verband met renovatie van de woning. De huurder woont sinds 1990 in de woning en betaalt een relatief lage huur. De verhuurder stelt dat renovatie noodzakelijk is vanwege een structurele wanverhouding tussen exploitatiekosten en huuropbrengsten, waardoor voortzetting van de huurovereenkomst niet van haar kan worden verlangd.
De kantonrechter beoordeelt de vordering aan de hand van artikel 7:274 lid 1 sub c BW Pro en het Heerenhuis-arrest van de Hoge Raad. Uit dit arrest volgt dat alleen bij een structurele wanverhouding tussen exploitatiekosten en huuropbrengsten, waarbij ook de waardestijging van de woning wordt betrokken, dringend eigen gebruik kan worden aangenomen. De verhuurder heeft een rendementsberekening overgelegd die een negatief rendement toont, maar deze is onvolledig en houdt geen rekening met de substantiële waardestijging van de woning sinds aankoop.
Daarnaast weegt de kantonrechter mee dat de huurder al meer dan 30 jaar in de woning woont, een sterke sociale binding heeft en een laag inkomen heeft, waardoor het vinden van passende woonruimte moeilijk is. De belangen van de huurder wegen daarom zwaarder dan het financiële belang van de verhuurder. Ook is de vordering voorwaardelijk geformuleerd zonder duidelijke toetsingscriteria, wat de uitvoerbaarheid belemmert.
Op grond van deze overwegingen wijst de kantonrechter de vordering af en veroordeelt de verhuurder in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik wordt afgewezen.