Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2023:7711

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 december 2023
Publicatiedatum
4 december 2023
Zaaknummer
C/13/735097 / FA RK 23-3870
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 16 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Artikel 16 lid 3 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Artikel 1901 lid 1 Código Civil PortugalArtikel 1911 lid 1 Código Civil PortugalArtikel 1912 lid 1 Código Civil Portugal
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gezamenlijk ouderlijk gezag en zorgregeling over minderjarige na verhuizing uit Portugal

Partijen, beiden van Portugese nationaliteit, hadden een relatie die in 2022 eindigde. Hun in Portugal geboren kind is erkend door de vader. De moeder was van rechtswege belast met het gezag. De rechtbank beoordeelde of het gezamenlijk gezag volgens Portugees recht was ontstaan en concludeerde dat partijen na de geboorte in Portugal een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor gezamenlijk gezag ontstond. Dit gezag is niet gewijzigd na de verhuizing naar Nederland.

De vader verzocht om gezamenlijk gezag en een zorgregeling waarbij het kind om de week bij hem verblijft, met een specifieke regeling voor donderdagen en vakanties. De moeder verzette zich tegen co-ouderschap vanwege zorgen over het gedrag en de beschikbaarheid van de vader, maar kon deze zorgen onvoldoende onderbouwen.

De rechtbank stelde vast dat een week-op-week-af-regeling passend is bij de leeftijd van het kind en de omstandigheden. De vader zal minder gaan werken om meer tijd voor het kind te hebben. De rechtbank stelde de zorgregeling vast zoals verzocht door de vader.

De behoefte van het kind werd vastgesteld op €870 per maand. De draagkracht van de vader werd berekend op €2.674 per maand en die van de moeder op minimaal €25. Gezien de zorgregeling kreeg de vader een zorgkorting van 35%, waardoor hij €558 per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De rechtbank verklaart gezamenlijk gezag en stelt een zorgregeling en kinderalimentatie van €558 per maand vast.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/735097 / FA RK 23-3870
Beschikking van 7 december 2023 betreffende het gezag, een omgangsregeling en de kinderalimentatie
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. K. de Vaan te Amsterdam,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. Z. Taspinar te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
-het verzoek van de vader, ingekomen op 8 juni 2023;
-het verweerschrift van de moeder, tevens houdende zelfstandig verzoek, ingekomen op 13 juli 2023;
-een F9-formulier met bijlage van de moeder van 13 juli 2023;
-een F9-formulier van de vader van 27 juli 2023;
-een F9-formulier met bijlagen van de moeder van 29 oktober 2023;
-een F9-formulier met bijlagen van de vader van 6 november 2023;
-een F9-formulier met bijlagen van de moeder van 6 november 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 november 2023.
Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten en tolken Portugees.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd in 2022. Uit deze relatie is geboren:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] , Portugal, op [geboortedatum] 2017.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De moeder is van rechtswege belast met de uitoefening van het gezag.
2.3.
Bij beschikking van 1 augustus 2023 heeft de rechtbank bij wijze van provisionele vordering (zaaknummer C/13/735099 / FA RK 23/3872) een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderbijdrage vastgesteld van € 645,- per maand. Het verzoek van de man om een zorg- dan wel omgangsregeling vast te stellen is aangehouden tot 16 oktober 2023 in afwachting van het mediationtraject van partijen.
2.4.
Partijen hebben de Portugese nationaliteit.

3.Het verzoek, het verweer en het zelfstandig verzoek

3.1.
De vader verzoekt na wijziging van zijn verzoek:
- primair: voor recht te verklaren dat de ouders gezamenlijk zijn belast met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] ,
- subsidiair: de ouders gezamenlijk te belasten met de uitoefening van het gezag over [minderjarige] ;
- een zorg- dan wel omgangsregeling vast te stellen in die zin dat [minderjarige] bij de vader is in de even weken van maandag na school tot maandag in de opvolgende week naar school, waarbij het kind op de donderdag na school tot 20:00 uur bij de moeder is, en [minderjarige] bij de moeder is in de oneven weken van maandag na school tot maandag in de opvolgende week naar school en [minderjarige] op de donderdag na school tot 20:00 uur bij de vader is, alsmede dat [minderjarige] de helft van de vakantie- en feestdagen bij de vader is.
3.2.
De moeder verweert zich tegen de verzoeken van de vader.
3.3.
Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de moeder :
- een omgangsregeling te bepalen waarbij [minderjarige] om de week van zaterdag 12:00 uur tot en met zondag 17:00 uur bij de man verblijft, waarbij de vader geen alcohol of drugs mag gebruiken en
- de kinderalimentatie te bepalen op € 731,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.De beoordeling

In de bodemprocedure C/13/735097 / FA RK 23-3870
Gezag
4.1.
De man legt aan zijn gewijzigd verzoek ten grondslag dat partijen naar Portugees recht reeds gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige] , omdat zij in Portugal samenwoonden en een gezamenlijke huishouding voerden.
4.2.
De moeder betwist dat partijen naar Portugees recht gezamenlijk het gezag hebben over [minderjarige] . Volgens de moeder hebben partijen in Portugal niet samengeleefd als waren zij gehuwd. Zij hadden verschillende adressen in Portugal en [minderjarige] werd onverwacht geboren. De vader is in 2017 naar Nederland gekomen en de moeder in 2018.
4.3.
Op grond van artikel 16 lid 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 wordt de vraag of de ouders van rechtswege het gezamenlijk gezag hebben verkregen over de minderjarige beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van de geboorte. [minderjarige] is geboren in Portugal. Dit betekent dat de vraag of partijen het gezamenlijk gezag hebben verkregen naar Portugees recht moet worden beoordeeld. Zie ook de rechtbank Rotterdam, uitspraak van 22 maart 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:2106.
4.4.
Het uitgangspunt van het Portugese personen-en familierecht is dat beide juridische ouders gezamenlijk gezag over de minderjarige hebben en uitoefenen. Binnen het huwelijk oefenen beide ouders op grond van artikel 1901 lid Pro 1 Código Civil (hierna: CC) het gezag uit. Indien ouders niet zijn gehuwd maar samenleven op een wijze als waren zij gehuwd (‘vivam em condições análogas às dos cônjuges’), oefenen zij het gezag ook gezamenlijk uit (artikel 1911 lid 1 CC Pro). Partijen waren niet gehuwd toen [minderjarige] werd geboren. Hoewel de moeder de door de vader gestelde samenwoning betwist acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat partijen na de geboorte van [minderjarige] in Portugal een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Uit de beschrijving van de moeder in het verweerschrift alsook uit de stukken blijkt dat de vader, in verband met de voorgenomen verhuizing van partijen naar Nederland, vanaf 5 januari 2017 in Nederland heeft verbleven, maar op 15 juli 2017 voor de geboorte van [minderjarige] , naar Portugal is teruggekeerd, om de zomer met de moeder door te brengen en de bevalling bij te wonen, aldus de moeder. Op [geboortedatum] 2017 is [minderjarige] geboren. De moeder heeft voorts verklaard dat de vader in september 2017 en zijzelf, toen [minderjarige] twee maanden was, met het kind naar Nederland is verhuisd. De rechtbank neemt daarom als voldoende vaststaand aan dat de vader met de moeder in ieder geval na de geboorte in Portugal een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, zodat gezamenlijk gezag is ontstaan over [minderjarige] . De rechtbank zal het verzoek van de man om een verklaring voor recht af te geven toewijzen.
Zelfs indien partijen niet (aldoor) zouden hebben samengewoond kan het standpunt van de vrouw dat sprake is van eenhoofdig gezag niet worden gevolgd. Artikel 1912 lid 1 CC Pro kent namelijk een specifieke regeling voor het gezag, indien – kort gezegd – artikel 1911 CC Pro niet van toepassing is, maar de afstamming met betrekking tot beide ouders wel is vastgesteld.
4.5.
Op grond van artikel 1796 lid 2 CC Pro wordt afstamming buiten het huwelijk vastgesteld door erkenning (‘reconhecimento’). In het overgelegde uittreksel van de geboorteakte van [minderjarige] staat de vader als juridisch vader en de moeder als moeder vermeld. Nu de afstamming ten aanzien van beide ouders vaststaat, is aan de voorwaarden van artikel 1912 lid 1 CC Pro in samenhang met artikel 1906 lid 1 CC Pro voldaan. In artikel 1906 lid 1 CC Pro wordt voorzien in een vorm van gezag dat beperkt is tot aangelegenheden van bijzonder belang voor de minderjarige (‘questões de particular importȃncia para a vida do filho’), zoals het aanvragen van een paspoort, religieuze en levensbeschouwelijke keuzes betreffende de minderjarige en (ingrijpende) medische beslissingen. De dagelijkse uitoefening van het ouderlijk gezag ten aanzien van minder belangrijke zaken (‘actos da vida corrente’), wordt uitgeoefend door de ouder bij wie de minderjarige zich bevindt (artikel 1906 lid 3 CC Pro).
4.6.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat er hetzij reeds in Portugal volledig gezamenlijk gezag was, hetzij een vorm van gezamenlijk gezag waarbij het gezag van de man is beperkt tot aangelegenheden van bijzonder belang. Uit de BRP-gegevens blijkt voorts dat [minderjarige] sinds 30 mei 2018 staat ingeschreven op een adres in Nederland. Artikel 16 lid 3 HKV Pro '96 bepaalt dat de ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van de gewone verblijfplaats naar een andere Staat, in dit geval Nederland. Uit het gezagsregister blijkt niet dat deze gezagssituatie op enig moment is gewijzigd. Dit betekent dat op dit moment beide ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. De rechtbank zal daarom voor recht verklaren dat partijen (naar Nederlands recht) gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] zijn belast.
Zorgregeling/omgangsregeling
4.7.
De moeder verzet zich tegen het door de man verzochte co-ouderschap vanwege het feit dat ouders niet op constructieve wijze kunnen overleggen. De moeder beschuldigt de vader van overmatig alcoholgebruik en betwijfelt of hij een voorspelbare, beschikbare en stabiele opvoeder kan zijn, gelet op zijn gebrek aan agressie- en emotieregulatie. De vader schreeuwt volgens haar regelmatig, ook richting het kind en trekt het kind soms aan de armen. De moeder betwijfelt voorts dat de vader de hele week beschikbaar zou zijn voor het kind in verband met zijn fulltime baan en zijn drukke sociale leven. De moeder heeft een vrije dag op de donderdag en wil die gezamenlijke vrije dag continueren.
4.8.
De vader betwist dat hij geen goede opvoeder zou zijn en dat hij een zodanig druk sociaal leven heeft dat dit zijn mogelijkheden om voor het kind te zorgen zou beïnvloeden. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling meegedeeld dat hij een dag minder gaat werken.
4.9.
De rechtbank leidt uit de stukken en de verklaringen van partijen ter zitting af dat [minderjarige] , tot voor kort, altijd met de ouders in gezinsverband heeft samengewoond en dat de vader net als de moeder zorgtaken heeft gehad. Uitgangspunt na het uiteengaan van partijen is een gelijkwaardige zorgregeling. Weliswaar hoeft dat niet per sé een 50-50 verdeling te zijn, maar in dit geval verzoekt de man dat en de rechtbank ziet niet in waarom dat niet in het belang van [minderjarige] zou zijn. Dat de moeder voorheen meer zorgtaken had dan de vader is geen reden de zorg nu grootendeels bij de moeder te beleggen. Ook gelet op de leeftijd van [minderjarige] , 6 jaar, is een week-op-week-af-regeling geen onhaalbare kaart. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vader heeft verklaard dat hij minder zal gaan werken, zodat hij meer tijd heeft voor [minderjarige] .
De rechtbank is van oordeel dat de moeder haar zorgen over de geschiktheid van de vader als verzorger en opvoeder onvoldoende heeft onderbouwd. Duidelijk is dat partijen richting het einde van hun relatie heftige conflicten hebben gehad, die hun weerslag op het kind hebben gehad, maar de rechtbank kan hieruit niet afleiden dat de vader geen goede verzorger en opvoeder zou zijn.
De rechtbank zal daarom de door de vader verzochte zorgregeling vaststellen.
Kinderalimentatie
Behoefte kind
4.10.
Partijen zijn het eens over de behoefte van [minderjarige] , namelijk € 870,- per maand (p.m.) op basis van een netto besteedbaar inkomen (NBI) tijdens de samenwoning van partijen in 2022 van € 7.127,- p.m.
NBI onderhoudsplichtigen ten behoeve van berekenen aandeel
Draagkracht ouders
4.11.
De inkomens van partijen zijn niet in geschil. Voor de man zal worden uitgegaan van zijn inkomen in 2022 van € 151.178,- bruto per jaar, en een NBI op basis hiervan van € 7.136,- p.m. Voor wat betreft de woonkosten en andere lasten wordt, zoals gebruikelijk bij kinderalimentatie, uitgegaan van forfaitaire bedragen. De draagkracht van de vader bedraagt volgens bijgevoegde berekening € 2.674,- p.m.
4.12.
De moeder stelt onvoldoende inkomen en geen of onvoldoende draagkracht te hebben. De vader heeft dit niet betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van de minimale draagkracht van de moeder van € 25,- per maand.
Zorgkorting
4.13.
Gelet op de hierboven vastgestelde zorgregeling heeft de vader aanspraak op een zorgkorting van 35%. Dit betekent dat de vader een bedrag van € 558,- per maand aan de moeder zal moeten voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
provisionele vordering (C/13/735099 / FA RK 23/3872)
4.14.
In de provisionele vordering zijn de resterende verzoeken tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken, zodat daarover geen beslissing meer hoeft te worden genomen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart voor recht dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag zijn belast over hun minderjarig kind:
[minderjarige],
geboren te [geboorteplaats] , Portugal, op [geboortedatum] 2017,
voor zover de bevoegdheid daartoe niet door een eerdere rechterlijke beslissing is uitgesloten;
- bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden: de vader [minderjarige] bij zich heeft:
in de even weken van maandag na school tot maandag in de opvolgende week naar school, waarbij het kind op de donderdag uit school tot 20:00 uur bij de moeder is, en
[minderjarige] bij de moeder is in de oneven weken van maandag na school tot maandag in de opvolgende week naar school en [minderjarige] op de donderdag uit school tot 20:00 uur bij de vader is, alsmede dat [minderjarige] de helft van de vakantie- en feestdagen bij de vader en de moeder is;
- bepaalt dat de vader € 558,- per maand dient te betalen aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, met ingang van heden, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. L. van der Heijden, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier, op 7 december 2023. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).