ECLI:NL:RBAMS:2023:7745

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 december 2023
Publicatiedatum
5 december 2023
Zaaknummer
23/5238
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 20, eerste lid Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing proceskostenvergoeding na herziening zorgtoeslag 2021

Eiseres had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Belastingdienst Toeslagen waarin de definitieve berekening van de zorg- en huurtoeslag over 2021 was vastgesteld. Na herziening door verweerder werd de huurtoeslag verhoogd van €0,- naar €615,-. Eiseres trok daarop haar beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.

De rechtbank overwoog dat de herziening was gebaseerd op gewijzigde inkomensgegevens van de Inspecteur van de Belastingdienst, waarop verweerder verplicht was te vertrouwen. Eiseres had haar aangifte aangepast, maar dit recht kwam voor haar rekening. Er was geen sprake van een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatigheid die een proceskostenvergoeding rechtvaardigt.

De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding af en oordeelde dat verweerder geen onderzoeksplicht had om zelfstandig het verzamelinkomen te verifiëren. Ook de aangevoerde omstandigheden zoals de hoge studieschuld en de status van eiseres als student leidden niet tot een ander oordeel. De uitspraak werd gedaan door rechter L.Z. Achouak el Idrissi op 6 december 2023.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen aan verweerder toe te rekenen onrechtmatigheid is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/5238

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2023 in de zaak tussen

[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. M.Z.D. Nasrullah),
en

Belastingdienst Toeslagen

(gemachtigde: mr. M.S. Julen).

Inleiding

1. Met het besluit van 4 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de eerdere definitieve berekening van de toeslagen herzien. De definitief berekende zorgtoeslag over 2021 blijft € 1.287,-. De definitief berekende huurtoeslag over 2021 is aangepast en wordt € 0,-.
1.1.
Met het besluit van 14 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Verweerder heeft op 18 oktober 2023 een verweerschrift ingediend.
1.4.
Met een besluit van 24 oktober 2023 heeft verweerder het primaire besluit herzien. Daarbij is de huurtoeslag over 2021 vastgesteld op € 615,-.
1.5.
Op 6 november 2023 heeft eiseres het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres heeft bij de intrekking van het beroep verzocht om vergoeding van de proceskosten.
3. Verweerder heeft aangevoerd dat het primaire besluit niet is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Een proceskostenvergoeding dient dan ook achterwege te blijven. Verweerder heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van 3 april 2019 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [1]
4. Verweerder heeft de hoogte van de zorg- en huurtoeslag over het jaar 2021 berekend op basis van het inkomensgegeven van de Inspecteur van de Belastingdienst (Inspecteur). Nadat de Inspecteur de gecorrigeerde aangifte inkomstenbelasting van eiseres had ontvangen, is het inkomstengegeven in de Basisregistratie Inkomensgegevens (BRI) gewijzigd en heeft verweerder bij het nieuwe besluit van 24 oktober 2023 de huurtoeslag over het jaar 2021 met terugwerkende kracht aangepast en verhoogd.
5.1.
Een verzoek om toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht dient als regel te worden ingewilligd op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien de noodzaak om beroep in te stellen uitsluitend was te wijten aan de handelwijze van de betrokkene zelf. In de door verweerder aangehaalde rechtspraak wordt in dit soort zaken van deze regel afgeweken.
5.2.
Onder verwijzing naar de rechtspraak overweegt de rechtbank als volgt. [2] Verweerder is verplicht het door de Inspecteur vastgestelde verzamelinkomen te volgen. Voor zover eiseres het niet eens is met het vastgestelde verzamelinkomen, dient zij zich tot de Inspecteur van de Belastingdienst te wenden en daartegen bezwaar en eventueel beroep aan te tekenen. Eiseres heeft op advies van haar gemachtigde haar aangifte aangepast. Dit betekent echter niet dat verweerder niet van dat verzamelinkomen mocht uitgaan. Hierbij is van belang dat indien het rechtsmiddel slaagt en het verzamelinkomen wordt gewijzigd, verweerder op grond van artikel 20, eerste lid van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, verplicht is om de tegemoetkoming met inachtneming van die wijziging te herzien. Gelet op deze verplichting bestond er voor verweerder geen aanleiding om over het verzamelinkomen overleg te hebben met de Inspecteur. Het besluit van 4 maart 2023 is terecht genomen op grondslag van de toen bekende gegevens. Op verweerder rustte daarom geen verplichting om zelfstandig onderzoek te verrichten.
5.3
Dat eiseres gebruik heeft gemaakt van haar recht om haar aangifte te corrigeren, dient onder deze omstandigheden voor haar rekening te blijven. Wat eiseres heeft aangevoerd over haar hoge studieschuld en dat de behandelend ambtenaar van verweerder dit had moeten opvallen en daarover had moeten doorvragen omdat bekend was dat eiseres student is, leidt ook niet tot een ander oordeel van de rechtbank. Dat op verweerder een dergelijke onderzoeksplicht rust, is niet onderbouwd. Er is dan ook geen grond voor vergoeding van de proceskosten.
6. Er is niet tegemoetgekomen. Vergoeding van het griffierecht is dus niet aan de orde.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie rechtsoverweging 3.2 van de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1048.