Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 28 juni 2023 waarbij de rechtbank een verschijning van partijen ter terechtzitting heeft gelast,
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 1 november 2023.
Rechtbank Amsterdam
Partijen zijn gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 2015 gescheiden met een finale verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap. Na de echtscheiding ontving de man een bedrag van € 11.439,90 uit een levensverzekering die tijdens het huwelijk was opgebouwd.
De vrouw vorderde dit bedrag van de man op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro, stellende dat de polis opzettelijk niet in de verdeling was betrokken. De man voerde verweer en stelde dat de polis onderdeel was van zijn vennootschap onder firma, maar dit werd verworpen omdat de polis op zijn naam stond.
De rechtbank oordeelde dat de polis onderdeel was van de ontbonden gemeenschap en dat partijen een allesomvattende finale regeling hadden getroffen. De vrouw was door haar advocaat vertegenwoordigd en had op basis van de jaarstukken van de VOF kunnen weten van de polis. Er was geen sprake van opzettelijke verzwijging door de man.
Daarom werd de vordering afgewezen en de vrouw veroordeeld in de proceskosten, mede omdat zij een aanbod van de man om de helft van het bedrag te betalen had afgewezen.
Uitkomst: De vordering van de vrouw tot betaling van het bedrag uit de levensverzekering wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.