Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:1039

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 januari 2024
Publicatiedatum
26 februari 2024
Zaaknummer
13/190939-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van onvoldoende terugkeergarantie bij Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 9 januari 2024 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse vrouw aan Griekenland op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit 2015. De zaak betrof een verdenking van illegale handel in verdovende middelen uit 2007. Door medische problematiek en administratieve vertragingen werd de zaak pas na jaren op zitting gebracht.

De opgeëiste persoon erkende haar identiteit en Nederlandse nationaliteit. De Griekse autoriteiten hadden een EAB uitgevaardigd waarin strafbare feiten waren omschreven die in Nederland als lijstfeiten onder de Overleveringswet vallen, waardoor dubbele strafbaarheid niet onderzocht hoefde te worden.

De kern van het geschil betrof de terugkeergarantie zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, Overleveringswet. De Griekse autoriteiten hadden onvoldoende garanties verstrekt dat een eventuele opgelegde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in Nederland kan worden ondergaan. Ondanks herhaalde verzoeken van het Internationaal Rechtshulpcentrum bleef een dergelijke garantie uit. De rechtbank oordeelde dat dit gebrek aan garantie de overlevering rechtvaardigt weigeren.

De rechtbank benadrukte dat de opgeëiste persoon sterke banden met Nederland heeft en dat de procedure door vertragingen lang heeft geduurd zonder haar schuld. Gezien deze omstandigheden en het ontbreken van een voldoende terugkeergarantie werd de overlevering geweigerd. De rechtbank hoefde daardoor niet te oordelen over de rechtmatigheid van het EAB zelf.

Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering wegens het ontbreken van een voldoende terugkeergarantie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/190939-23
Datum uitspraak: 9 januari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 19 mei 2015 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 februari 2015 door het Parket van het Gerechtshof Kreta, Griekenland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 januari 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door haar raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. [2] Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. [3]
De officier van justitie heeft toegelicht waarom het EAB en de vordering tot het in behandeling nemen daarvan (artikel 23 OLW Pro) uit 2015 dateren, maar de zaak nu pas op zitting is gepland. Vanwege de medische problematiek van de opgeëiste persoon is destijds besloten om de zaak niet voor te leggen aan de rechtbank, maar is door het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) geprobeerd om via de Griekse autoriteiten te onderzoeken of een alternatief kon worden gevonden voor de afdoening van de zaak. Hierbij speelde ook mee dat het gaat om feiten uit 2007, waarbij de verdenking is dat de opgeëiste persoon éénmaal methadonpillen naar een adres in Griekenland zou hebben verstuurd (en aldus verkocht). Het is niet gelukt een alternatieve afhandeling van de zaak te bewerkstelligen. De zaak heeft lang op een stapel gelegen. Recent is om administratieve redenen bekeken of er nog oude zaken zijn die afgehandeld moeten worden. Omdat er al een vordering was ingediend en de Griekse autoriteiten het EAB handhaven, is het nu aan de rechtbank om op het overleveringsverzoek te beslissen. De gang van zaken in deze procedure is ongelukkig, aldus de officier van justitie.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
Arrest van het Gerechtshof van Kreta belast met misdaden, krachtens hetwelk het verhoor op de zitting van de Rechtbank tegen verdachte opgeschort werd (en verwezen werd door de Akte 16/2008 van de Voorzitter van het Gerechtshof van Kreta) en waarmee zijn arrestatie bevolen werd en in geval van arrestatie, zijn voorlopige hechtenis, met kenmerk 488/15-6-2010.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Grieks recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [4]

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op de feiten naar het recht van Griekenland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Haar overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd nu geen genoegzame terugkeergarantie is verstrekt. Op 12 december 2023 is door de uitvaardigende justitiële autoriteit weliswaar informatie verstrekt op dit punt, maar hierbij is – in het geval van een veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in Griekenland – niet gegarandeerd dat deze straf in Nederland mag worden ondergaan, maar slechts dat dit mogelijk in Nederland zou kunnen plaatsvinden. Op 20 december 2023 en 2 januari 2024 heeft het IRC gerappelleerd en meegedeeld dat de eerder verstrekte informatie onvoldoende is. Dit heeft niet geleid tot het alsnog verkrijgen van een garantie zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW.
De raadsman heeft zich op hetzelfde standpunt gesteld als de officier van justitie. De opgeëiste persoon is zich bewust van het feit dat wanneer het beroep op artikel 6 OLW Pro tot weigering van de overlevering leidt, daarmee het EAB niet definitief van de baan is omdat zij op basis van het EAB in andere lidstaten nog aangehouden (en eventueel overgeleverd) zou kunnen worden.
De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie en de raadsman. De rechtbank beschikt niet over een garantie zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. Nu hierover al meermaals vragen zijn gesteld door het IRC en de beslistermijn bovendien ruimschoots is verstreken, wordt hier niet nogmaals om verzocht. Dit betekent dat de overlevering op grond van artikel 6 OLW Pro geweigerd kan worden.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van weigering van de overlevering op grond van artikel 6, eerste lid, OLW. In dit kader overweegt de rechtbank dat de opgeëiste persoon niet alleen (zoals eerder vermeld) de Nederlandse nationaliteit bezit, maar ook volledig in Nederland is geworteld en zich welbewust beroept op artikel 6, eerste lid, OLW, inclusief de mogelijke gevolgen hiervan. De rechtbank merkt voorts op dat het – buiten de schuld van de opgeëiste persoon, die altijd stond ingeschreven in Nederland en beschikbaar was voor justitie – uitzonderlijk lang heeft geduurd voordat het EAB op zitting is behandeld.

6.Slotsom

De overlevering kan op grond van artikel 6 OLW Pro geweigerd worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van de mogelijkheid tot weigering van de overlevering. De subsidiair gevoerde verweren van de raadsman behoeven daarom geen bespreking meer.
Gelet op deze uitkomst heeft de rechtbank niet hoeven te oordelen over de vraag of de beslissing van de Griekse officier van justitie om een EAB uit te vaardigen, voorwerp heeft kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de door een effectieve rechterlijke bescherming gestelde eisen. [5]

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

8.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het Parket van het Gerechtshof Kreta, Griekenland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. P. van Kesteren, voorzitter,
mrs. A.W.T. Klappe en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 januari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22 OLW Pro.
3.De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
4.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.Vergelijk: Rb. Amsterdam, 16 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6696.