ECLI:NL:RBAMS:2024:1139

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 februari 2024
Publicatiedatum
29 februari 2024
Zaaknummer
1333655523
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLWArt. 22 OLW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming rechtbank Amsterdam voor overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel uit Duitsland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 februari 2024 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Stuttgart. De opgeëiste persoon, geboren in Duitsland en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd verdacht van strafbare feiten die onder de lijstfeiten van de Overleveringswet vallen, namelijk illegale handel in verdovende middelen en wapens.

Tijdens de zitting op 15 februari 2024 was de opgeëiste persoon afwezig, maar werd vertegenwoordigd door een raadsman. De verdediging voerde aan dat het EAB ongenoegzaam was omdat niet duidelijk werd onderbouwd dat de opgeëiste persoon de persoon achter het Sky-account was. Dit verweer werd door de rechtbank verworpen, omdat het EAB voldoende informatie bevatte over de feiten, betrokkenheid, tijdstip en plaats.

De rechtbank beoordeelde ook de mogelijke weigeringsgrond op grond van artikel 13 OLW Pro, die ziet op gedeeltelijk in Nederland gepleegde feiten die hier niet strafbaar zijn. De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden, waaronder het feit dat het onderzoek en de vervolging in Duitsland plaatsvinden en Nederland niet voornemens is tot vervolging, onvoldoende aanleiding geven om de overlevering te weigeren.

Uiteindelijk concludeerde de rechtbank dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering moet worden toegestaan. De uitspraak is gedaan door drie rechters en is onherroepelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-336555-23
Datum uitspraak: 29 februari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 5 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 november 2023 door het
AmtsgerichtStuttgart, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedag] 1993,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie te plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 februari 2024, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. V.R.C. Shukrula, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Duitse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door het
AmtsgerichtStuttgart van 24 oktober 2023, met dossiernummer 21 Gs 9681/23.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het EAB ongenoegzaam is. In de feitsomschrijving in het EAB wordt namelijk niet onderbouwd dat en waarom de opgeëiste persoon de persoon achter het Sky-account is.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Uit het EAB volgt de rol van de opgeëiste persoon, als zowel medepleger en medeplichtige, en de handelingen waarvan hij wordt beschuldigd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Met de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat het EAB hieraan voldoet. Uit de feitsomschrijving volgen de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van pleegdatum en -plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon. Anders dan de raadsman stelt, is niet vereist dat de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten ook wordt onderbouwd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 5 en 6, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
illegale handel in wapens, munitie en explosieven.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
De raadsman van de opgeëiste persoon verzoekt daarom de overlevering op grond van dit artikel te weigeren.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek in Duitsland plaatsvindt, dat het bewijsmateriaal zich in Duitsland bevindt, de medeverdachten in Duitsland zijn, Duitsland om de overlevering van de opgeëiste persoon heeft verzocht omdat de Duitse autoriteiten de opgeëiste persoon wensen te vervolgen en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is om de opgeëiste persoon voor deze feiten in Nederland te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
In dat licht en op de door de officier van justitie gronden vormt het gegeven dat de feiten worden geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
AmtsgerichtStuttgart, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,
mrs. E. Biçer en A.W.T. Klappe, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 februari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.