Uitspraak
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
€ 4.323,- dat een vergoeding is van door [medeverdachte] voorgeschoten (reële) kosten, zodat een bedrag van € 24.821,- resteert.
€ 636.025,- overgemaakt ten behoeve van [naam bedrijf BV 5] . De eerste storting vond plaats op 5 april 2018 en de laatste op 18 april 2019. Van de bedragen die voor [naam bedrijf BV 5] werden gestort op de bankrekeningen van [naam stichting 1] en [naam bedrijf BV 1] is in totaal in ieder geval € 220.922,- (bewijsmiddel 52: € 39.920,- + €113.602,- + 67.400,-) overgemaakt naar een privé-bankrekening van [verdachte] , de bankrekening van [naam bedrijf BV 4] van [verdachte] en de bankrekening van [naam bedrijf 1] van [medeverdachte] .
in beginselniet door de Hoge Raad gesteld indien is bewezen verklaard dat de verdachte het voorwerp heeft overgedragen, omgezet of van het voorwerp gebruik heeft gemaakt (vgl. HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913 en HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:321). Dit is anders indien dat overdragen, omzetten of gebruikmaken van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen.
5.Bewezenverklaring
oplichting) eerste gedachtestreepje verbeterd in die zin dat de datum van 27 augustus 2018 wordt gewijzigd in 4 december 2018. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6.Bewijs
7.De strafbaarheid van de feiten
8.De strafbaarheid van verdachte
9.Motivering van de straffen
10.Beslag
11.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
€ 338.100,-. Een deel daarvan betreft betalingen die hij in privé heeft gedaan, namelijk in totaal € 208.100,-. Twee betalingen van respectievelijk € 80.000,- op 9 april 2019 en € 50.000,- op 16 november 2018 zijn door [naam bedrijf BVBA] gedaan. Dit betreft geen schade die [benadeelde partij 1] in persoon heeft geleden. De rechtbank zal de vordering toewijzen tot € 208.100,- en de vordering voor het overige afwijzen.
€ 75.000,-. Volgens het overzicht in het strafdossier betreft € 21.000,- daarvan betalingen die vanaf zijn bankrekening zijn gedaan. Verder is gebleken van een betaling van € 15.000,- gedaan vanaf een bankrekening van [benadeelde partij 8] . Bij de door de benadeelde partij overgelegde stukken zit ook een certificaat van [naam bedrijf BV 5] betreffende [benadeelde partij 8] . [benadeelde partij 7] kan enkel voor hemzelf schadevergoeding vorderen. De rechtbank zal zijn vordering toewijzen tot € 21.000,- en hem voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, nu deze onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd.
12.Toepasselijke wettelijke voorschriften
13.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
30 (dertig) maanden.
6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf
niet ten uitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
van de uitoefening van het beroep van statutair bestuurder of feitelijk bestuurder van enige rechtspersoonals bedoeld in artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van 5 (vijf) jaar.
- over een bedrag van € 30.000,- met ingang van 15 december 2018;
- over een bedrag van € 61.000,- met ingang van 6 februari 2019;
- over een bedrag van € 33.750,- met ingang van 4 maart 2019;
- over een bedrag van € 83.350,- met ingang van 7 april 2019
- over een bedrag van € 30.000,- met ingang van 15 december 2018;
- over een bedrag van € 61.000,- met ingang van 6 februari 2019;
- over een bedrag van € 33.750,- met ingang van 4 maart 2019;
- over een bedrag van € 83.350,- met ingang van 7 april 2019
- over een bedrag van € 10.000,- met ingang van 17 januari 2019;
- over een bedrag van € 11.000,- met ingang van 17 april 2019
- over een bedrag van € 10.000,- met ingang van 17 januari 2019;
- over een bedrag van € 11.000,- met ingang van 17 april 2019
- over een bedrag van € 3.090,- met ingang van 28 januari 2016;
- over een bedrag van € 15.450,- met ingang van 26 februari 2016;
- over een bedrag van € 10.300,- met ingang van 29 maart 2016;
- over een bedrag van € 1.700,- met ingang van 7 april 2017
- over een bedrag van € 3.090,- met ingang van 28 januari 2016;
- over een bedrag van € 15.450,- met ingang van 26 februari 2016;
- over een bedrag van € 10.300,- met ingang van 29 maart 2016;
- over een bedrag van € 1.700,- met ingang van 7 april 2017