ECLI:NL:RBAMS:2024:2032

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 maart 2024
Publicatiedatum
10 april 2024
Zaaknummer
13/020323-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 350 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel Hongarije

De rechtbank Amsterdam heeft op 27 maart 2024 uitspraak gedaan over de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het gerechtshof van Eger, Hongarije. Het EAB betreft de aanhouding en overlevering van een persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in een Nederlandse penitentiaire inrichting.

De opgeëiste persoon heeft tijdens de zitting bevestigd dat zijn persoonsgegevens kloppen en dat hij de Hongaarse nationaliteit bezit. De rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis van een jaar gevangenisstraf, waarbij de verdachte niet persoonlijk aanwezig was bij het oorspronkelijke proces, maar dat dit niet leidt tot weigering van overlevering omdat aan de voorwaarden van artikel 12, sub d, Overleveringswet (OLW) is voldaan.

De rechtbank heeft tevens beoordeeld dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, voldoen aan de dubbele strafbaarheidsvereisten volgens Nederlands recht, namelijk openlijk in vereniging geweld plegen en opzettelijk en wederrechtelijk beschadigen van goederen. Er zijn geen weigeringsgronden aanwezig en het EAB voldoet aan de wettelijke eisen. Daarom heeft de rechtbank de overlevering toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Hongarije toe voor de uitvoering van een vrijheidsstraf van één jaar.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/020323-24
Datum uitspraak: 27 maart 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 26 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1] Dit EAB is uitgevaardigd op 24 oktober 2023 door (een rechter bij) de Groep Tenuitvoerleggingen van Straffen bij het Gerechtshof van Eger, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1998,
zonder vaste woon of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 maart 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Hongaarse taal. De raadsman heeft geen inhoudelijke verweren gevoerd.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van de Arrondissementsrechtbank van Gyöngyös onder nummer 4.B.72/2021/26. van 5 september 2022, welk vonnis op 11 oktober 2022 onherroepelijk is geworden.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
In de brief van 19 februari 2024 staat het volgende:
The court will immediately deliver the final decision made in the main case to the convicted person after it is handed over, and will inform them that according to the Act XC of 2017 on criminal proceedings, Section 639 paragraph (3),the defendant and his counsel may submit a motion for retrial within one monthfrom the day on which the defendant became aware of the entry into force of the final decision ending the main case. In the case of an arrest warrant issued for the purpose of executing a sentence, the defendant’s knowledge shall be deemed to be delivered after the defendant’s admission to the penal institution.
The court also informs the convict of the identity and contact information of his defense counsel.
If the convicted person or his defense counsel submits a motion for retrial, in that case, according to the Act XC of 2017 on criminal proceedings, Section 637 paragraph (5),the court must conduct the retrial.
Thus, the convicted person has the right to rehear his case, to reassess it, to review its merits, and in that case, he also has the right to appeal.
Zowel de officier van justitie als de raadsman van de opgeëiste persoon hebben betoogd dat deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW voldoet. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring niet volledig in overeenstemming is met de bewoordingen van artikel 12, sub d, OLW maar concludeert dat met deze verklaring materieel gezien in elk geval niet kan worden gezegd dat overlevering een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zou opleveren. Artikel 12 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg.

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen;
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWVerder Pro staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 141 en 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan (een rechter bij) de Groep Tenuitvoerleggingen van Straffen bij het Gerechtshof van Eger (Hongarije) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. P. Sloot en A.W.T. Klappe, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek en A. Gabriëlse, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 maart 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.