ECLI:NL:RBAMS:2024:221

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 januari 2024
Publicatiedatum
17 januari 2024
Zaaknummer
13/280131-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArtikel 5 lid 3 Kaderbesluit 2008/909/JBZ
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens plofkraak

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 januari 2024 het verzoek tot overlevering van een verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Bamberg. Het EAB betreft een strafbaar feit van georganiseerde of gewapende diefstal, gepleegd op 26 april 2023 in Grossostheim. De verdachte, met de Nederlandse nationaliteit en woonachtig in Nederland, werd verdacht van medeplichtigheid of medeplegen aan deze plofkraak.

Tijdens de zitting op 3 januari 2024 verscheen de verdachte met zijn raadsman. De verdediging voerde aan dat onduidelijkheid bestond over de aard van de betrokkenheid van de verdachte (medeplegen versus medeplichtigheid) en verzocht om aanhouding van de procedure om historische telefoongegevens in te brengen ter onderbouwing van het onschuldverweer. De rechtbank oordeelde echter dat het EAB voldoende duidelijkheid bood over de betrokkenheid en dat het onschuldverweer niet voldoende was aangetoond om de procedure aan te houden.

De rechtbank stelde vast dat het strafbare feit op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet staat, waardoor een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft. Tevens werd een terugkeergarantie gegeven door het Duitse openbaar ministerie, waardoor de verdachte bij veroordeling zijn straf in Nederland kan ondergaan. Gezien het ontbreken van weigeringsgronden en de naleving van de wettelijke vereisten, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan.

De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters, en is onherroepelijk. De verdachte zal worden overgeleverd aan Duitsland voor het strafrechtelijk onderzoek en eventuele vervolging wegens betrokkenheid bij de plofkraak.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Duitsland toe voor betrokkenheid bij een plofkraak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/280131-23
Datum uitspraak: 17 januari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 31 oktober 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 oktober 2023 door het
Amtsgericht Bamberg(Duitsland) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in de [naam PI] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 januari 2024 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrestatiebevel van 23 oktober2023 van het
Amtsgericht Bamberg, dossiernummer 1 Gs 2489/23 (2110 js 14665/23).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat in de Nederlandse vertaling van het EAB de aard van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon ‘medeplichtig’ zou zijn. In het Duitse EAB staat ‘
Art der Beteiligung: Mittäter’. Het is van belang dat duidelijk wordt of de opgeëiste persoon wordt beschouwd als medeplichtige of als medepleger. Daarom moet daarover nadere informatie komen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rol van de opgeëiste persoon duidelijk is omschreven in het EAB. Er hoeven dus geen vragen over worden gesteld.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving in het EAB - mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van strafrechtelijk onderzoek - duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, namelijk betrokkenheid bij een plofkraak gepleegd op 26 april 2023 in Grossostheim. Mededaderschap en medeplichtigheid zijn strafbare deelnemingsvormen naar Nederlands recht, zodat voor beide deelnemingsvormen kan worden overgeleverd. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om hierover nadere informatie op te vragen.

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Onschuldverweer

De opgeëiste persoon verklaart niet schuldig te zijn aan de feiten. De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, zodat de verdediging de historische telefoongegevens uit de Nederlandse strafzaak in de overleveringsprocedure kan inbrengen om de onschuld van de opgeëiste persoon aan te tonen.
De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon zijn onschuld niet tijdens het verhoor ter zitting heeft aangetoond, zoals de OLW vereist. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden.
De onschuldbewering leidt alleen om die reden al niet tot weigering van de overlevering. [4]

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Het Duitse openbaar ministerie heeft op 19 december 2023 de volgende garantie gegeven:
Hierbij geef ik een terugkeergarantie af voor verdachte [opgeëiste persoon] als Nederlands staatsburger conform het Europese Kaderbesluit 2008/909/JBZ, artikel 5 lid 3 van Pro het Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel (2002/584/JBZ) en artikel 6 lid 1 van Pro de Nederlandse Overleveringswet.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Amtsgericht Bamberg(Duitsland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. H.P. Kijlstra en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 januari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rechtbank Amsterdam, 19 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4340.