ECLI:NL:RBAMS:2024:2502

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 mei 2024
Publicatiedatum
2 mei 2024
Zaaknummer
1314316023
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentiegarantie en gelijkstellingsverweer

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 april 2024 het verzoek tot overlevering van een persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen. De opgeëiste persoon werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen, waarvoor een resterende straf van vier jaar en 201 dagen moet worden uitgezeten.

De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moet worden met een Nederlander vanwege een rechtmatig verblijf van vijf jaar in Nederland, maar dit verweer werd verworpen omdat niet was aangetoond dat het verblijf ononderbroken en rechtmatig was voorafgaand aan de verblijfsvergunning van 18 juni 2019. Daarnaast werd het verweer tegen de detentiegarantie ingediend vanwege recente negatieve ontwikkelingen in de Belgische gevangenis van Wortel, zoals stakingen en ongedierte, maar de rechtbank oordeelde dat de individuele garantie voldoende is en geen reëel gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling bestaat.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke vereisten, dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn, en dat de overlevering toegestaan kan worden. De uitspraak is gedaan door drie rechters en is onherroepelijk, er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.143160.23
Datum uitspraak: 1 mei 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 26 februari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 maart 2023 door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1972,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 april 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn gemachtigde raadsman, mr. D.R. Kops die waarneemt voor zijn kantoorgenoot mr. C.C. Polat, beiden advocaat in Breukelen, en door een tolk in de Turkse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen van 23 september 2022, met vonnisnummer 2022/4219 en referentie: AN.18CO5067 - AN60.F1.501820-2018.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog vier jaar en 201 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzet procedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in het EAB in onderdeel d):
“3.4. de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar
  • de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend; en
  • de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzet procedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en
  • de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet (namelijk 15 dagen) of hoger beroep aan te tekenen (namelijk 30 dagen).”
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten:
Deelneming aan een criminele organisatie;
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de Belgische lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijk gesteld kan worden met een Nederlander zoals bedoeld in artikel 6a, eerste en negende lid, OLW. Aan de hand van de overgelegde stukken is aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar onafgebroken en rechtmatig in Nederland verblijft. Hij beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd sinds 18 juni 2019. Om deze verblijfsvergunning te verkrijgen, heeft de opgeëiste persoon op 1 april 2019 in Turkije een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) aangevraagd, waarna hij meteen naar Nederland is gereisd. In Nederland heeft hij bij zijn partner gewoond en hij heeft in Nederland gewerkt. Daarom verblijft hij al vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland. Het advies van de IND staat evenmin aan een gelijkstelling in de weg omdat het advies onvoldoende duidelijk is om op grond daarvan aan te nemen dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank om het verweer te verwerpen omdat niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Daarnaast bestaat volgens het advies van de IND niet de verwachting dat de opgeëiste persoon zijn recht van verblijf in Nederland niet zal verliezen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de opgeëiste persoon niet in aanmerking komt voor gelijkstelling omdat hij, nu hij eerst met ingang van 18 juni 2019 over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd beschikt, niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan het eerste vereiste. Er is geen sprake van een ononderbroken rechtmatig verblijf van ten minste vijf jaren in Nederland voorafgaand aan de uitspraak van de rechtbank.
De rechtbank slaat geen acht op de periode tussen zijn mvv-aanvraag op 1 april 2019 en de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning. Uit de door de raadsman overgelegde stukken blijkt niet op welke datum de opgeëiste persoon op basis van een toegekende mvv-aanvraag naar Nederland is gekomen. Wel blijkt uit een overgelegde brief van 21 mei 2019 dat de IND een machtiging aan de ambassade in Ankara had gegeven tot het afgeven van een mvv. Ook indien wordt aangenomen dat de opgeëiste persoon kort hierna met een mvv naar Nederland is gekomen, dan wordt nog steeds niet voldaan aan het vereiste van vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf.
Nu de opgeëiste persoon reeds niet aan het eerste vereiste voor gelijkstelling voldoet, behoeft het gevoerde verweer met betrekking tot het tweede vereiste geen bespreking meer.

6.Weigeringsgrond artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden België

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er, gelet op de detentieomstandigheden in België, ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldeed. [4]
Tegen deze achtergrond is op 12 maart 2024 namens het Directoraat-generaal Wetgeving
,Fundamentele rechten en Vrijheden van de Dienst internationale samenwerking in strafzaken ten behoeve van de opgeëiste persoon de navolgende garantie gegeven:
“1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Wortel.

2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?

België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.

In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
-
De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m 2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
-
De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m 2 inclusief vast meubilair.

De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm

Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
-
De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
-
Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de individuele detentiegarantie van 12 maart 2024 niet meer voldoet door de recente negatieve ontwikkelingen in de Belgische detentie-instellingen, en in het bijzonder de gevangenis in Wortel. In de detentiegarantie wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon dagactiviteiten zal hebben buiten zijn cel. Aan deze waarborg kan op dit moment niet worden voldaan vanwege de cipiersstaking die voor een onbepaalde tijd aan de gang is. Daarnaast loopt er kennelijk ongedierte en is er sprake van asbest in de gevangenis van Wortel. Er is in de onderhavige zaak niet alleen sprake van een algemeen reëel gevaar voor gedetineerden in België, maar ook, door de recente ontwikkelingen, sprake van een individueel reëel gevaar voor de opgeëiste persoon.
Daarom wordt er primair verzocht om de overlevering te weigeren op grond van artikel 11, eerste lid, OLW. Mocht de rechtbank deze conclusie voorbarig achten, wordt er subsidiair verzocht om op grond van artikel 11, tweede lid, OLW de beslissing aan te houden om een nieuwe individuele garantie ten behoeve van de opgeëiste persoon te vragen aan België.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de afgegeven individuele detentiegarantie voldoet. Het openbaar ministerie is bekend met de incidenten en de stakingen en ziet dit dan ook als een bevestiging van het aangenomen algemeen reëel gevaar. Ondanks de problemen in de Belgische detentie-instellingen voldoet de individuele detentiegarantie. Er is geen reden om de behandeling van de zaak aan te houden, noch om de overlevering te weigeren.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [5]
De rechtbank is bekend met de recente, afschuwelijke geweldsincidenten in de gevangenissen in Antwerpen en Sint-Gillis, en de (aangekondigde 24-uurs) stakingen in Belgische detentie-instellingen. Deze omstandigheden – die de rechtbank als incidenten beschouwt – vormen naar het oordeel van de rechtbank een bevestiging van het algemene gevaar. De rechtbank is, gelet op de aard en de oorzaken van het vastgestelde algemene gevaar en gelet op de individuele garantie van de Belgische autoriteiten, onder meer voor wat betreft de minimum hoeveelheid individuele levensruimte, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat op een onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie, nu het gevaar op een dergelijke behandeling met deze garantie voor hem is weggenomen. Op dit moment is dus niet gebleken dat de afgegeven individuele detentiegarantie niet voldoet.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mr. H.J. Bos en mr. A.L. op ‘t Hoog rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens en A. Gabriëlse, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 mei 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rechtbank Amsterdam, 14 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.