De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van poging tot zware mishandeling en subsidiair mishandeling van de benadeelde partij. De poging tot zware mishandeling kon niet worden bewezen, waarop verdachte daarvan werd vrijgesproken. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte op 30 oktober 2023 de benadeelde mishandelde door een steen tegen diens rechterarm te gooien en een hek tegen hem aan te duwen, waardoor het slachtoffer viel en letsel opliep.
De rechtbank baseerde haar oordeel op de aangifte van het slachtoffer, de verklaring van een getuige (mogelijk collega van het slachtoffer) en foto’s van het letsel. De verdediging voerde aan dat bewijs ontbrak, zoals een foto van de steen, en dat het hek niet door verdachte was omgeduwd, maar dat het slachtoffer was uitgegleden. De rechtbank verwierp deze verweren en achtte het bewezen dat verdachte de mishandeling heeft gepleegd.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een verwarde en mogelijk psychotische toestand ten tijde van het feit, en het feit dat verdachte vreemdeling is zonder adres in Nederland. De rechtbank matigde de straf tot drie weken gevangenisstraf, welke verdachte reeds volledig in voorarrest heeft uitgezeten.
Daarnaast werd de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade van €800,- toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Tevens werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de mogelijkheid tot gijzeling bij niet-betaling. Het vonnis werd uitgesproken op 15 maart 2024 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.