ECLI:NL:RBAMS:2024:3303

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 juni 2024
Publicatiedatum
6 juni 2024
Zaaknummer
13/058328-24 (EAB II)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks betwisting aanwezigheid

De rechtbank Amsterdam heeft op 5 juni 2024 uitspraak gedaan over een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen. De opgeëiste persoon werd verdacht van fraude en een vrijheidsstraf van zes maanden werd opgelegd. De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon niet bij het proces aanwezig was geweest, wat een weigeringsgrond zou kunnen zijn op grond van artikel 12 OLW Pro. De rechtbank verwierp dit verweer omdat het EAB vermeldde dat de persoon in persoon aanwezig was en de betwisting onvoldoende was.

Daarnaast werd onderzocht of er sprake was van een reëel gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces vanwege structurele gebreken in de Poolse rechtsorde. De opgeëiste persoon kon geen concrete aanwijzingen geven dat deze gebreken zijn zaak beïnvloedden. De rechtbank concludeerde dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen en geen weigeringsgronden aanwezig waren.

De rechtbank besloot daarom tot toestemming van de overlevering aan Polen. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk. De zaak betreft een lijstfeit fraude met een strafmaximum van ten minste drie jaar, waardoor dubbele strafbaarheid niet onderzocht hoefde te worden.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/058328-24 (EAB II)
Datum uitspraak: 5 juni 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 20 februari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 februari 2024 door
the Regional Court in Zamość Second Criminal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1993,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft – na eerdere behandelingen op de zittingen van 6 maart 2024 en 28 maart 2024 – plaatsgevonden op de zitting van 22 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. Z. Boufadiss, die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. S.J. Römer, beiden advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft op 11 april 2024 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van de uitkomst van de behandeling van het verzoek tot een verzamelvonnis in Polen. [2]
Op de zitting van 22 mei 2024 heeft de opgeëiste persoon niet met stukken onderbouwd dat in Polen inmiddels een verzamelvonnis is gewezen.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. [3] Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenneming. [4]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
final judgement made by Sąd Rejonowy (District Court) in Tomaszów Lubelski on 3 November 2021, which became final on 12 November 2021,met referentie II K 1070/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [5]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft op de zitting van 28 maart 2024 betoogd dat de opgeëiste persoon niet bij het proces aanwezig is geweest en hij niet op de hoogte was van deze zitting. De opgeëiste persoon betwist de informatie in het EAB.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces in hoger beroep.
Oordeel van de rechtbank
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De enkele betwisting van de opgeëiste persoon is onvoldoende om niet van deze informatie uit te gaan. Dat betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet aan de overlevering van de opgeëiste persoon in de weg kan staan.

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 8, te weten:
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Zamość Second Criminal Division,Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en E. Biçer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
3.Zie artikel 22 OLW Pro.
4.De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
5.Zie onderdeel e) van het EAB.
6.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
7.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (