ECLI:NL:RBAMS:2024:4053

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 juni 2024
Publicatiedatum
8 juli 2024
Zaaknummer
13/120395-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 311 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLW
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor diefstal

De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 juni 2024 het verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Tsjechië op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank Brno. Het EAB betreft een vrijheidsstraf van dertien maanden wegens meerdere diefstalfeiten.

De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende duidelijkheid bood over de strafbare feiten en dat het onderliggende vonnis niet onherroepelijk was. De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende duidelijkheid bevatte over de feiten en dat het specialiteitsbeginsel gewaarborgd is. Tevens werd het verweer dat het vonnis niet onherroepelijk zou zijn verworpen, waarbij de rechtbank het beginsel van wederzijdse erkenning en vertrouwen toepaste.

De rechtbank stelde vast dat de feiten dubbel strafbaar zijn onder Nederlands recht en dat geen weigeringsgronden van toepassing zijn. De overlevering werd daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Tsjechië toe voor de in het Europees aanhoudingsbevel genoemde diefstalfeiten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/120395-24
Datum uitspraak: 20 juni 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 23 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 oktober 2023 door de Rechtbank Brno, Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (voormalig Tsjecho-Slowakije) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats].
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 juni 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Tsjechische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Tsjechische nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van de Rechtbank Brno (Tsjechië) van 11 augustus 2023, referentie: 3 T 134/2023-100.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van dertien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
3.1
Genoegzaamheid
Het standpunt van de raadsman
De raadsman betoogt dat het EAB niet voldoet aan de voorwaarden die in artikel 2 van Pro de OLW worden gesteld. In het EAB is onder e) vermeld dat het betrekking heeft op in totaal één strafbaar feit, terwijl daaronder een opsomming van vier strafbare feiten wordt gegeven. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Tsjechische autoriteiten hierover te bevragen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de strafbare feiten in het EAB onder e) genoegzaam omschreven.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank stelt vast dat in het EAB onder e) onder 1 tot en met 4 steeds per feit duidelijk en uitvoerig is weergegeven voor welke gedragingen de opgeëiste persoon is veroordeeld en waarvoor de overlevering wordt verzocht. Volgens de in het EAB vermelde gegevens vallen deze vier feiten onder dezelfde strafbepaling en leveren zij dezelfde kwalificatie op. Klaarblijkelijk heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom in het EAB vermeld dat het op één strafbaar feit ziet. Op grond van het EAB is het voor de opgeëiste persoon zodoende volstrekt duidelijk om welke strafbare feiten het gaat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het EAB voldoende duidelijk is omschreven voor welke feiten de overlevering wordt gevraagd en dat de beschrijving ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kan waarborgen.
De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en verwerpt het verweer van de raadsman.
3.2
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van Pro de OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat het vonnis dat ten grondslag ligt aan het EAB nog niet onherroepelijk is. De opgeëiste persoon was weliswaar aanwezig bij een zitting, maar heeft geen kennis genomen van de aan hem opgelegde straf. Hij heeft niet de mogelijkheid gehad om appèl in te stellen tegen het vonnis. Verder vraagt de raadsman zich af hoe de in het EAB genoemde datum van het nationale aanhoudingsbevel valt te rijmen met de datum waarop het vonnis in kracht van gewijsde zou zijn gegaan. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Tsjechische autoriteiten over deze twee punten vragen te stellen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het EAB is gebaseerd op een onherroepelijk vonnis van 11 augustus 2023. Ook het A-formulier bevestigt dit. Dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de uitspraak en niet op de hoogte zou zijn geweest van de opgelegde straf maakt niet dat het vonnis niet onherroepelijk kan zijn en dat een appèlmogelijkheid is ontnomen. De opgeëiste persoon was immers wel aanwezig bij de inhoudelijke behandeling en was op de hoogte van de verdenking tegen hem en van de lopende procedure.
Verder is het heel goed mogelijk dat het vonnis op de in het EAB genoemde datum (11 augustus 2023) in kracht van gewijsde is gegaan, waarna op 12 september 2023 een nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.
Het oordeel van de rechtbank
Op basis van de beginselen van wederzijdse erkenning en vertrouwen dient te worden uitgegaan van de juistheid van de in het EAB verstrekte informatie. In het EAB onder b) is vermeld dat het vonnis op 11 augustus 2023 in kracht van gewijsde is gegaan. Verder is onder d) in het EAB vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat heeft geleid tot de beslissing. Daarmee doet de weigeringsgrond van artikel 12 van Pro de OLW zich ten aanzien van dit vonnis niet voor.
Het voorgaande wordt niet anders door de vermelding in het EAB van de datum 12 september 2023 als datum waarop het nationale aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. Ook in dit opzicht vertrouwt de rechtbank erop dat de in het EAB verstrekte informatie klopt. Deze informatie roept bovendien, anders dan de raadsman betoogd, geen vraagtekens op. Het komt namelijk vaker voor dat een nationaal aanhoudingsbevel op een latere datum wordt afgegeven dan de datum waarop een vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de zaak aan te houden om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en verwerpt het verweer van de raadsman.

4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Ten aanzien van feit 1:
diefstal, door twee of meer verenigde personen.
Ten aanzien van feiten 2, 3 en 4:
telkens: diefstal.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 310 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de Rechtbank Brno (Tsjechië) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en A.J. Scheijde, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. I. van Heusden en K.M. Diender, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.