Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Regional Court in Kielce(Polen) op 30 maart 2022, betreft:
1.Beoordeling
2.Beslissing
Regional Court in Kielce(Polen) tot verdere vervolging van
[overgeleverde persoon] .
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek van de Poolse autoriteiten tot aanvullende toestemming voor vervolging van een overgeleverde persoon op grond van artikel 14 van Pro de Overleveringswet (OLW). Het verzoek betrof strafbare feiten gepleegd vóór de overlevering, waarvoor de betrokkene niet was overgeleverd.
De rechtbank beoordeelde of de overgeleverde persoon de mogelijkheid had gehad om zijn opmerkingen en bezwaren tegen het verzoek kenbaar te maken, zoals vereist op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021 (C-428/21 PPU en C-429/21 PPU). Hoewel uit een proces-verbaal bleek dat de betrokkene was gewezen op het specialiteitsbeginsel en geen afstand daarvan wenste te doen, achtte de rechtbank dit onvoldoende om aan te nemen dat hij alle bezwaren had kunnen uiten.
Het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) verzocht de Poolse autoriteiten om aanvullende informatie, maar ontving geen reactie. Daarom concludeerde de rechtbank dat niet was voldaan aan de vereisten voor aanvullende toestemming en wees het verzoek af.
De beslissing werd genomen door de rechtbank Amsterdam op 14 mei 2024, met mr. B.M. Vroom-Cramer als voorzitter en mr. J.G. Vegter en mr. A.K. Glerum als rechters, in aanwezigheid van mr. H.L. van Loon, griffier.
Uitkomst: Het verzoek tot aanvullende toestemming voor vervolging is afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat de overgeleverde persoon zijn bezwaren kon uiten.