De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek van de Duitse autoriteiten om aanvullende toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging van een overgeleverde persoon. In eerdere tussenbeslissingen werd vastgesteld dat de terugkeergarantie voldeed en dat niet alle vragen over de mogelijkheid van de overgeleverde persoon om bezwaren kenbaar te maken, volledig waren beantwoord.
Na aanvullende correspondentie bleek dat de overgeleverde persoon tijdens een zitting expliciet afstand had gedaan van het specialiteitsbeginsel, hetgeen betekent dat hij instemt met uitbreiding van de vervolging. De rechtbank concludeerde dat deze afstand van het specialiteitsbeginsel de grondslag voor het verzoek tot aanvullende toestemming wegneemt.
Daarom verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in het verzoek tot het in behandeling nemen van de aanvullende toestemming. Dit besluit werd genomen door de voorzitter en twee rechters, waarbij twee rechters niet konden medeondertekenen.