ECLI:NL:RBAMS:2024:4510

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juli 2024
Publicatiedatum
24 juli 2024
Zaaknummer
C/13/742809 / HA ZA 23-1061
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:174 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aansprakelijkheid gemeente voor val door losliggende stoeptegel

Eiseres is in 2020 tijdens het wandelen op een stoep van de gemeente Amsterdam gestruikeld en heeft daarbij letsel aan haar rechterpols en hand opgelopen. Zij stelt dat de val werd veroorzaakt door een loszittende en scheve stoeptegel en vordert dat de gemeente aansprakelijk wordt gesteld voor de schade.

De rechtbank onderzoekt of de stoep niet voldoet aan de eisen die men daaraan mag stellen en daardoor gevaar oplevert, zoals bedoeld in artikel 6:174 lid 1 BW Pro. Het is vastgesteld dat de stoep een opstal is en dat de gemeente daarvan de bezitter is. De rechtbank kan echter niet vaststellen over welke tegel eiseres is gestruikeld en of deze tegel zodanig scheef lag dat er sprake was van een gevaarlijke situatie.

Foto's van de stoep tonen wel enkele scheve tegels, maar het hoogteverschil is niet zodanig dat een voetganger daarop niet bedacht hoeft te zijn. Eiseres kon ook niet aantonen dat de gemeente een verzwaarde motiveringsplicht had of dat er een schouwrapport bestond. De omkeringsregel is niet van toepassing omdat de feitelijke toedracht niet vaststaat.

De rechtbank wijst daarom de vordering van eiseres af en veroordeelt haar in de proceskosten van de gemeente. Het vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg en uitgesproken op 24 juli 2024.

Uitkomst: De vordering van eiseres wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gevaarlijke situatie op de stoep.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/742809 / HA ZA 23-1061
Vonnis van 24 juli 2024
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. L.D. Foe,
tegen
GEMEENTE AMSTERDAM,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. D.M. Gouweloos.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
[eiser] is in 2020 tijdens het wandelen op de stoep van de [locatie] gestruikeld en gevallen. Zij heeft daarbij letsel opgelopen aan haar rechterpols en hand, waaraan zij is geopereerd. Daarna heeft zij een lang revalidatietraject doorlopen. Zij kan haar hand nog steeds niet 100 % gebruiken.
1.2.
De stoep waarop [eiser] liep is van de gemeente. [eiser] zegt dat de stoeptegels zó scheef en los lagen, dat zij daarover is gestruikeld. Zij vordert dat de rechtbank vaststelt (“voor recht verklaart”) dat de gemeente aansprakelijk is en dat de schade daarna in een aparte procedure (de schadestaatprocedure) wordt vastgesteld.
1.3.
De rechtbank oordeelt in dit vonnis dat de gemeente niet aansprakelijk is. [eiser] heeft de rechtbank niet duidelijk kunnen maken dat de tegel waarover zij is gestruikeld zó scheef lag dat die een gevaar opleverde. Haar vordering wordt dus afgewezen.

2.Hoe is de procedure verlopen?

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 november 2023, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 20 maart 2024,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 juni 2024, met de daarin genoemde stukken.
2.2.
Daarna heeft de rechtbank bepaald dat er in een vonnis een beslissing moest worden genomen.

3.Wat oordeelt de rechtbank?

3.1.
[eiser] baseert haar vordering op artikel 6:174 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). In dat artikel staat dat de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, in principe aansprakelijk is wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt.
3.2.
Het staat vast dat de stoep een opstal is en dat de gemeente daarvan de bezitter is. De vraag is dus of de stoep niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar oplevert.
3.3.
De Hoge Raad heeft in 2010 geoordeeld [1] dat het er daarbij om gaat of de opstal deugdelijk is, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken. Die vraag moet naar objectieve maatstaven worden beantwoord. Daarbij is ook van belang hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.
3.4.
De stoep is bestemd voor voetgangers en wordt door voetgangers gebruikt. Hij moet dus geschikt zijn om op te wandelen. Dat betekent niet dat er geen oneffenheden in mogen zitten, maar voetgangers hoeven niet zonder meer bedacht te zijn op grote hoogteverschillen. Het gaat er dus om hoe scheef de tegel lag waarover [eiser] is gestruikeld en hoe groot het hoogteverschil was.
3.5.
[eiser] weet niet meer precies over welke tegel zij is gevallen. Toen zij was gevallen had zij veel pijn en kon zij niet haar telefoon pakken om foto’s te maken van haar omgeving. Er is na een tijdje wel een fietser gestopt, die haar heeft geholpen met opstaan en die haar man heeft gebeld. Ook de fietser en haar man hebben op dat moment geen foto’s gemaakt. [eiser] weet nog wel waar zij is gevallen, namelijk tegenover het witte huis aan de overkant. Zij heeft haar man een tijd later gevraagd om naar de stoep te gaan om daar foto’s te maken van de losliggende tegels. Zij heeft bij de gemeente gemeld dat er tegels los lagen, de gemeente heeft die tegels ook vervangen. De stoep was overal heel hobbelig, nu ziet het er veel beter uit.
3.6.
De rechtbank kan op basis van de verklaring van [eiser] niet vaststellen over welke stoeptegel zij is gestruikeld, ook niet ongeveer. Dat betekent dat de rechtbank ook niet kan vaststellen dat de stoep op de plek waar zij is gestruikeld te veel hoogteverschil had en daardoor gevaar opleverde.
3.7.
Ook als de rechtbank ervan uitgaat dat [eiser] is gestruikeld over een van de tegels die zijn te zien op de foto’s die zij heeft overgelegd, dan nog is de gemeente daarvoor niet aansprakelijk. Op de foto’s zijn allemaal gedeelten van de stoep te zien waarop een of enkele tegels in meer of mindere mate scheef liggen. Nergens is het hoogteverschil echter dusdanig dat een voetganger daarop niet bedacht hoeft te zijn en dat dit gevaar oplevert.
3.8.
[eiser] heeft er nog op gewezen dat de gemeente een paar tegels in de stoep heeft vervangen. Zij leidt daaruit af dat de gemeente zelf dus ook vond dat die tegels gevaarzettend waren. Zij vindt dat op de gemeente een verzwaarde motiveringsplicht rust en dat de gemeente het schouwrapport moet overleggen waaruit blijkt hoe scheef de vervangen tegels precies lagen. De gemeente betwist dat er een schouwrapport is opgemaakt. Dat is volgens [eiser] reden om de omkeringsregel toe te passen.
3.9.
De rechtbank volgt [eiser] hierin niet. Het is aan [eiser] om duidelijk te maken over welke tegel (ongeveer) zij is gestruikeld. De gemeente heeft haar ook hierop gewezen. Nadat [eiser] de gemeente aansprakelijk had gesteld, heeft de gemeente haar immers binnen enkele dagen gevraagd om meer informatie over de plek waar zij is gevallen. [eiser] heeft daarna twee foto’s van één tegel opgestuurd, en een jaar later de getuigenverklaring van de fietser die is gestopt, en nog meer foto’s van andere tegels. [eiser] is dus voldoende in de gelegenheid geweest om zowel naar de gemeente als in deze procedure te onderbouwen waar zij is gevallen. Dan is er geen aanleiding om een verzwaarde motiveringsplicht van de gemeente aan te nemen. De omkeringsregel ziet op het vaststellen van causaal verband en is pas aan de orde als de feitelijke toedracht al vast staat. Dat is hier nog niet het geval.
3.10.
De conclusie is dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.
3.11.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- griffierecht
676,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.082,00

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.082,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2024.

Voetnoten

1.Arrest van 17 december 2010, Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht/Gemeente De Ronde Venen, ECLI:NL:HR:2010:BN6236.