ECLI:NL:RBAMS:2024:4717
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen weigering exploitatievergunning op grond van Wet Bibob
Verzoekster, exploitant van een winkel in Amsterdam, vroeg een exploitatievergunning aan die door de burgemeester werd geweigerd op grond van de Wet Bibob vanwege vermoedens van een zakelijk samenwerkingsverband met haar zoon, die verdacht wordt van fiscale en witwasdelicten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de feiten onvoldoende waren om een zakelijk samenwerkingsverband aan te nemen, mede omdat de lening aan de zoon was afgelost en er geen duurzame samenwerking meer bestond. Ook waren de overtredingen van de winkeltijdenwet niet aan verzoekster toe te rekenen en was het vermoeden van verkoop van vervalste merkartikelen onvoldoende onderbouwd.
Het spoedeisend belang van verzoekster werd erkend, omdat sluiting van de winkel zou leiden tot gedwongen faillissement. De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het belang van verzoekster zwaarder woog dan het algemeen belang van de burgemeester.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar, en werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de exploitatievergunning is geschorst en verzoekster mag de winkel voorlopig blijven exploiteren.