Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college om de revisievergunning voor een varkenshouderij te weigeren en eerdere vergunningen in te trekken op grond van de Wet bibob wegens een ernstig vermoeden van gebruik voor strafbare feiten.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht een bibob-onderzoek heeft uitgevoerd en dat er een zakelijk samenwerkingsverband bestaat tussen eisers en een concern waarbij strafbare feiten zijn gepleegd. Het college mocht daardoor het gevaar voor strafbare feiten aannemen.
Echter heeft het college onvoldoende onderzocht of minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren en onvoldoende gemotiveerd waarom de intrekking en weigering proportioneel zijn, terwijl de financiële en eigendomsrechtelijke gevolgen voor eisers zeer zwaar zijn.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt het college binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij ook de mogelijkheid van verkoop van het bedrijf moet worden betrokken.
Eisers worden in hun proceskosten en griffierecht volledig tegemoetgekomen.