De zaak betreft de afwikkeling van de verdeling van de exploitatie van twee bedrijfshallen tussen ex-echtgenoten over de periode 1 januari 2012 tot 1 november 2019. Na een tussenvonnis werd een deskundige benoemd die een rapport uitbracht over de inkomsten en uitgaven, waarbij een positief exploitatieresultaat van €43.286,01 werd vastgesteld.
Eiseres vorderde betaling van de helft van dit resultaat en stelde dat gedaagde onvolledig had geïnformeerd over de huuropbrengsten. Gedaagde betwistte de bevindingen van de deskundige en stelde dat hypotheeklasten ten onrechte buiten beschouwing waren gelaten. De rechtbank volgde de deskundige en oordeelde dat de hypotheeklasten niet in het exploitatieoverzicht thuishoren vanwege eerdere bindende beslissingen.
De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van €21.643,01 aan eiseres, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 december 2022. Tevens werd gedaagde veroordeeld tot betaling van beslagkosten, proceskosten en nakosten. De vorderingen van gedaagde in reconventie werden afgewezen. De kosten van het deskundigenonderzoek worden door partijen gelijkelijk gedragen.