ECLI:NL:RBAMS:2024:5233

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 augustus 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
13/128106-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 10 OLW
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Europees aanhoudingsbevel ondanks artikel 12 OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde op 8 augustus 2024 het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteiten. De verdachte was niet persoonlijk verschenen bij de Poolse procedures, maar was wel op de hoogte gesteld via adresinstructies die hij niet opvolgde.

De raadsman voerde aan dat de overlevering geweigerd moest worden op grond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW), omdat niet duidelijk was of de verdachte expliciet was gewezen op de consequenties van het niet opvolgen van adresinstructies. De officier van justitie stelde dat de verdachte stilzwijgend afstand had gedaan van zijn verdedigingsrechten door niet te reageren op de oproepen.

De rechtbank concludeerde dat hoewel artikel 12 OLW Pro in principe weigering rechtvaardigt, in dit geval voldoende duidelijk was dat de verdachte op de hoogte was van de adresinstructies en de gevolgen van het niet opvolgen daarvan. Er was geen sprake van een concreet gevaar voor schending van het recht op een eerlijk proces. De overlevering werd daarom toegestaan.

De feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht betreffen twee Poolse vonnissen tot gevangenisstraf voor respectievelijk zes maanden en één jaar, waarvan nog een deel van de straf resteert. De rechtbank stelde vast dat aan de vereisten van dubbele strafbaarheid is voldaan en dat geen andere weigeringsgronden aanwezig zijn.

De uitspraak is gedaan door de rechtbank Amsterdam op 22 augustus 2024 en is niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe ondanks mogelijke weigering op grond van artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/128106-24
Datum uitspraak: 22 augustus 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 6 juni 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1] Dit EAB is uitgevaardigd op 27 december 2023 door
Sąd Okręgowy in Kielce(Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
I: een vonnis van Sąd Rejonowy in Busko-Zdrój van 3 november 2021 (met kenmerk
II K 403/21);
II: een vonnis van Sąd Rejonowy in Busko-Zdrój van 1 september 2022 (met kenmerk
II K 270/21).
De overlevering wordt voor wat betreft vonnis I verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden.
De overlevering wordt voor wat betreft vonnis II verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar. Van deze straf resteren volgens het EAB nog elf maanden en negenentwintig dagen.
De genoemde vrijheidsstraffen zijn door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat en zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft primair aangevoerd dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro van toepassing is en dat er geen aanleiding is om af te zien van weigering op grond van dat artikel. Niet duidelijk is in welke fase van de processen de adresinstructies aan de opgeëiste persoon zijn gegeven en of hij is gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan die instructies. Al met al kan niet geconcludeerd worden dat de opgeëiste persoon stilzwijgend of uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten. De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat op de voornoemde punten aanvullende vragen gesteld dienen te worden aan Polen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van weigering op grond van artikel 12 OLW Pro, gelet op de aan de opgeëiste persoon gegeven adresinstructies. Beide instructies zijn tijdens het voorbereidend onderzoek aan de opgeëiste persoon gegeven en het had voor hem duidelijk moeten zijn wat de consequenties zijn van het niet voldoen aan die instructies. Dit alles maakt dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten.
Oordeel van de rechtbank
Op basis van het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 26 juli 2024 stelt de rechtbank vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een tweetal vonnissen terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid en die - kort gezegd - zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet op het bovenstaande kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren en acht daarbij het volgende van belang.
Uit de voornoemde aanvullende informatie blijkt dat voor beide procedures geldt dat de opgeëiste persoon van de processen op de hoogte is gebracht middels naar door hem opgegeven adres(sen) gestuurde oproepen, die hij steeds niet in ontvangst genomen heeft en die hij nadien niet heeft opgehaald, terwijl hij de instructie had gekregen dat hij elke adreswijziging of verblijf elders van langer dan zeven dagen door had moeten geven aan de Poolse autoriteiten. Uit de aanvullende informatie en de context waarin deze is gesteld blijkt duidelijk dat deze instructie tijdens de
voorfasesvan beide processen zijn gegeven.
Gebleken is dat de opgeëiste persoon voor wat betreft de beide procedures op de hoogte was van de verdenkingen. Hij moest er in beide gevallen onder de gegeven omstandigheden in ieder geval rekening mee houden dat hij kon worden opgeroepen voor een zitting op de door hem opgegeven adres(sen). Zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de processen, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De omstandigheid dat de aanvullende informatie niet vermeldt dat de opgeëiste persoon expliciet is gewezen op de consequenties van het niet doorgeven van wijzigingen van zijn adres en/of verblijfplaats maakt dit in dit geval niet anders. De rechtbank wijst er op dat de aanvullende informatie (wel) vermeldt dat in de voorfases van beide procedures bij het verstrekken van uitleg aan de opgeëiste persoon (
‘while giving him explanations’)hij zijn adres heeft opgegeven en dat hem (vervolgens) ook de adresinstructie (
‘was also instructed’) is gegeven. Hieruit leidt de rechtbank af dat hem voldoende duidelijk is geweest wat de consequenties zouden zijn als hij die adresinstructie niet zou opvolgen.
Concluderend staat artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg.

5.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
t.a.v. vonnis I:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen
t.a.v. vonnis II:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 350 Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
Sąd Okręgowy in Kielce(Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 augustus 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (