AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks gelijkstellingsverweer
De Rechtbank Amsterdam behandelde op 18 juli 2024 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Olsztyn, Polen, voor de overlevering van een Poolse verdachte die wordt verdacht van diefstal met geweld gepleegd door meerdere personen. De verdachte was niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door een raadsman. De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de verdachte correct was en dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen.
De verdachte voerde een gelijkstellingsverweer aan op grond van artikel 6a van de Overleveringswet (OLW), stellende dat hij gelijkgesteld moest worden aan een Nederlander vanwege zijn verblijf in Nederland, en verzocht om weigering van overlevering met gelijktijdige strafovername. De rechtbank oordeelde dat niet was aangetoond dat de verdachte vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verbleef, waardoor het gelijkstellingsverweer werd verworpen.
Daarnaast onderzocht de rechtbank mogelijke schendingen van het recht op een eerlijk proces in Polen op grond van artikel 11 OLWPro en het Handvest van de grondrechten van de EU. Hoewel er sprake is van structurele gebreken in de Poolse rechtsorde, ontbraken concrete aanwijzingen dat deze de zaak van de verdachte individueel hebben beïnvloed. De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgrond aanwezig was en stond de overlevering toe.
De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 1 augustus 2024 en is niet vatbaar voor gewoon rechtsmiddel. De verdachte zal worden overgeleverd voor de resterende straf van bijna twee jaar die in Polen is opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe voor de uitvoering van de resterende vrijheidsstraf.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-024840-24
Datum uitspraak: 1 augustus 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 21 mei 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 december 2023 door the Regional Court in Olsztyn, II Criminal Department,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1972,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 juli 2024, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. O.N.J. Maatje, advocaat in Zaltbommel.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Daarnaast is de gevangenhouding bevolen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgment of the District Court in Olsztyn of 20 August 2021, file ref.no. II K 880/21.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, elf maanden en negenentwintig dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
4.Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft namens de opgeëiste persoon – ondanks het ontbreken van stukken ter onderbouwing – verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen aan een Nederlander en de overlevering te weigeren, onder gelijktijdige strafovername door Nederland.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een ononderbroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaren niet middels objectieve stukken is aangetoond, zodat artikel 6a OLW niet aan overlevering in de weg staat.
Het oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank stelt vast dat niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon heeft namelijk tijdens zijn verhoor bij de officier van justitie verklaard dat hij pas tien maanden geleden naar Nederland is gekomen, terwijl stukken die een langere periode onderbouwen, ontbreken. Aan de eerste voorwaarde is dan ook om die reden al niet voldaan. Aan de toetsing van de tweede voorwaarde komt de rechtbank daarom niet toe. Dit leidt tot de conclusie dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander in de zin van artikel 6a OLW. Het verweer wordt verworpen.
6.Overige verweren
Artikel 11 OLWPro: artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8.Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 312 van het Wetboek van Strafrecht, en 2, 5 en 7 OLW.
9.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan the Regional Court in Olsztyn, II Criminal Department,Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 augustus 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (