Op 21 augustus 2023 werd verdachte aangehouden met een witte bestelbus waarin 162 lachgasflessen werden aangetroffen, naast 170 flessen in een nabijgelegen garagebox, tezamen 664 kilogram lachgas. Verdachte verklaarde de flessen te hebben vervoerd en afgeleverd aan personen in de garagebox. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte samen met een ander opzettelijk deze grote hoeveelheid lachgas heeft vervoerd.
De rechtbank verwierp het verweer van verdachte dat hij onder druk handelde om een schuld af te lossen, mede gelet op eerdere politiewaarnemingen in een Rotterdamse zaak. Verdachte had geen eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten en bracht persoonlijke omstandigheden naar voren die tot strafvermindering konden leiden.
Gezien de ernst van het feit en de grote hoeveelheid lachgas, die sinds 1 januari 2023 onder lijst II van de Opiumwet valt, achtte de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden passend. Gezien de persoonlijke omstandigheden legde de rechtbank drie maanden daarvan voorwaardelijk op met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot zes maanden gevangenisstraf waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. De straf is gebaseerd op artikelen 14a, 14b, 47 en 63 Sr en artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.