ECLI:NL:RBAMS:2024:613

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 februari 2024
Publicatiedatum
7 februari 2024
Zaaknummer
13/131155-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 OverleveringswetArt. 22 OverleveringswetArt. 29 OverleveringswetArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Officier van justitie niet-ontvankelijk in vordering tot in behandeling nemen Europees aanhoudingsbevel wegens ontbrekende betekening

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 januari 2024 de vordering van de officier van justitie tot in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Hongarije. De opgeëiste persoon was niet verschenen, en zijn raadsvrouw was niet gemachtigd en had sinds juli 2022 geen contact meer met hem.

De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was vastgesteld en dat hij de Hongaarse nationaliteit bezit. De officier van justitie had de oproeping voor de zitting pas op 15 januari 2024 betekend, terwijl de opgeëiste persoon niet meer woonachtig was op het laatst bekende adres in Nederland.

Volgens artikel 23, derde lid, van de Overleveringswet (OLW) moeten niet alleen de oproeping, maar ook de vordering, het EAB, de vertaling en aanvullende informatie aan de opgeëiste persoon worden betekend. Uit het dossier bleek echter niet dat deze stukken aan de opgeëiste persoon waren betekend of op andere wijze waren toegekomen.

De rechtbank overwoog dat zonder bewijs van betekening van deze stukken niet kan worden begonnen met een inhoudelijke behandeling van het EAB. Omdat er geen aanwijzingen waren dat een nadere betekening zou slagen, verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van betekening van de vereiste stukken aan de opgeëiste persoon.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/131155-23 (EAB II)
Datum uitspraak: 1 februari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 23 november 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 mei 2023 door
the Budapest Regional Court, Penitentiary Unit, Hongarije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1977,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 januari 2024, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. J. van Veelen-de Hoop, advocaat in Hoogvliet Rotterdam, is wel verschenen. De raadsvrouw heeft meegedeeld dat zij niet gemachtigd is en dat zij sinds juli 2022 geen contact meer heeft met haar cliënt.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Hongaarse nationaliteit heeft.

3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De opgeëiste persoon is in deze procedure niet aangehouden of gehoord. Pas op
15 januari 2024 heeft een zogenaamde OM-betekening plaatsgevonden van de oproeping voor de zitting van 18 januari 2024. Op het laatstelijk opgegeven verblijfadres in Nederland bleek de opgeëiste persoon niet (meer) woonachtig te zijn.
Uit artikel 23, derde lid, OLW volgt onder meer dat niet alleen de oproeping voor de zitting aan de opgeëiste persoon moet worden betekend, maar ook:
een afschrift van de krachtens het tweede lid vereiste vordering, met als bijlage een kopie van het Europees aanhoudingsbevel, de bijbehorende vertaling en, in voorkomend geval, de aanvullende informatie wordt aan de opgeëiste persoon betekend.
Op de vordering van de officier van justitie van 23 november 2023 (onderaan) wordt hiervan melding gemaakt, maar uit het dossier volgt niet dat de vordering en de overige hiervoor genoemde stukken zijn betekend. Ook is niet gebleken dat deze stukken de opgeëiste persoon op andere wijze hebben bereikt.
De rechtbank overweegt dat niet kan worden aangevangen met een inhoudelijke behandeling, omdat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon kennis heeft kunnen nemen van de in
artikel 23, derde lid, OLW, genoemde stukken. Uit het dossier volgt voorts dat de officier van justitie ten behoeve van de zitting op 18 januari 2024 op een adres in Nederland heeft geprobeerd de oproeping te betekenen. Op het laatst ingeschreven verblijfadres was de opgeëiste persoon niet (meer) woonachtig. De officier van justitie heeft ter zitting verklaard geen informatie te hebben over de vraag waar de opgeëiste persoon op dit moment verblijft. Ditzelfde geldt voor de (niet-gemachtigd) raadsvrouw van de opgeëiste persoon.
Onder deze omstandigheden zijn er geen indicaties dat een nadere betekening van de vordering en het EAB – al dan niet via een zogenaamde OM-betekening – in die zin zou kunnen slagen, dat de opgeëiste persoon alsnog kennis zal kunnen nemen van deze stukken en dus van de inhoud van het EAB. De rechtbank concludeert – mede in het licht van artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie – tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vordering. [3]

4.Beslissing

VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en M.C.M. Hamer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 februari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie rechtbank Amsterdam 20 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2024:15.