De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteiten voor een opgeëiste persoon geboren in Polen in 1989. De zaak betrof zowel vervolging als tenuitvoerlegging van vier vrijheidsstraffen. Tijdens de procedure verscheen de opgeëiste persoon aanvankelijk, maar bij de laatste zitting was zij afwezig en vertegenwoordigd door haar raadsman.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde de juistheid van de persoonsgegevens. In een eerdere tussenuitspraak had de rechtbank reeds de strafbaarheid van de feiten en mogelijke weigeringsgronden beoordeeld. Een belangrijk punt van discussie was de detentieomstandigheden in Polen, met name of de opgeëiste persoon eerst haar opgelegde vrijheidsstraffen zal uitzitten voordat zij eventueel in een remand prison wordt geplaatst.
De uitvaardigende Poolse autoriteit bevestigde dat de opgeëiste persoon eerst de vrijheidsstraffen zal ondergaan, waardoor zij niet in een remand prison zal worden geplaatst. De raadsman vroeg om aanhouding van de procedure om nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden, maar de rechtbank wees dit af, stellende dat er geen algemeen gevaar is vastgesteld voor detentie-inrichtingen waar strafuitzettingen plaatsvinden.
Verder werd vastgesteld dat ondanks structurele gebreken in de Poolse rechtsorde, er geen concreet individueel gevaar is voor schending van het recht op een eerlijk proces voor deze persoon. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.