ECLI:NL:RBAMS:2024:6784

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 november 2024
Publicatiedatum
6 november 2024
Zaaknummer
AMS 23/5300
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen afwijzing proceskostenvergoeding bijzondere bijstand

Eiser heeft bijzondere bijstand voor rechtsbijstand aangevraagd en stelde verweerder in gebreke wegens het niet ontvangen van een besluit. Verweerder stelde dat het besluit op 16 november 2022 was genomen en aan eiser was toegezonden. Eiser maakte bezwaar tegen het primaire besluit en vorderde proceskostenvergoeding, welke werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing.

De rechtbank oordeelde dat het besluit weliswaar niet op de juiste wijze aan de gemachtigde was bekendgemaakt, maar dat dit niet betekent dat verweerder niet tijdig heeft beslist. De bezwaar- en beroepstermijnen zijn daardoor niet gaan lopen, maar dat raakt niet aan de tijdigheid van het besluit zelf. Eiser kon niet aantonen dat het besluit niet op 16 november 2022 was genomen en ontvangen.

Eiser voerde tevens aan dat tijdens een telefonische hoorzitting een toezegging was gedaan voor een proceskostenvergoeding. De rechtbank vond deze toezegging niet aannemelijk, mede omdat het verslag van de hoorzitting dit niet vermeldde en verweerder dit ontkende. Ook was het niet gebruikelijk dat dergelijke toezeggingen worden gedaan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde daarom.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt en het griffierecht niet wordt terugbetaald.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet toekennen van proceskostenvergoeding is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/5300

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet toekennen van proceskosten in bezwaar door verweerder.
2. Eiser heeft op 22 juli 2022 bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand aangevraagd. Eiser heeft verweerder op 3 april 2022 in gebreke gesteld en om een dwangsom verzocht, wegens het niet ontvangen van een besluit op de aanvraag. [1] Verweerder heeft het verzoek om een dwangsom op 4 april 2022 afgewezen (het primaire besluit), omdat zij al op 16 november 2022 op de aanvraag had beslist.
3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft het bezwaar op 24 juli 2023 ongegrond verklaard en daarbij geen proceskostenvergoeding aan eiser toegekend (het bestreden besluit). Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
4. De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2024 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. K.E.M. Arends, als waarnemer van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht geen proceskosten aan eiser heeft toegekend in bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Bekendmaking
7. Volgens eiser had verweerder de proceskosten in bezwaar aan hem moeten toekennen, omdat het besluit van 16 november 2022 niet op de juiste wijze bekengemaakt is. Dat is een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Ter zitting is toegelicht dat het eiser niet gaat om het ontvangen van een dwangsom vanwege het niet tijdig beslissen, maar alleen om het ontvangen van 1 punt proceskostenvergoeding in bezwaar.
8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit op 16 november 2022 is genomen en naar het adres van eiser is gestuurd. Ter zitting is door de waarnemer van de gemachtigde van eiser bevestigd dat het besluit van 16 november aan eiser is gestuurd (en niet aan de gemachtigde van eiser).
9. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Eiser procedeert met een gemachtigde. Toezending van een besluit uitsluitend aan eiser heeft in zo’n geval in principe tot gevolg dat het besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt en de bezwaar- en beroepstermijnen niet gaan lopen. Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) volgt echter dat dit niet betekent dat verweerder niet tijdig op de aanvraag heeft beslist. De rechtspraak en wetsartikelen over de bekendmaking van besluiten zien op de procedurele belangen van een belanghebbende. Maar de bepalingen over de termijnen waarbinnen het bestuursorgaan een besluit moet nemen, zijn er om te waarborgen dat de belanghebbenden binnen de geldende termijn worden geïnformeerd over de besluitvorming. [2]
10. Nu eiser niet heeft betwist dat het besluit op 16 november 2022 is genomen en ter zitting heeft bevestigd dat dit besluit aan eiser is toegezonden, heeft verweerder het bezwaar van eiser terecht ongegrond verklaard en daarbij geen proceskostenvergoeding toegekend.
Het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel
11. Volgens eiser zijn de proceskosten in bezwaar in strijd met het vertrouwensbeginsel en artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet door verweerder vergoed. Volgens eiser heeft verweerder tijdens de telefonische hoorzitting in bezwaar toegezegd dat er 1 punt aan proceskostenvergoeding aan eiser zou worden toegekend, omdat het besluit niet op de juiste wijze bekendgemaakt is. Dit is door eiser onderbouwd met een verwijzing naar het gespreksverslag van de hoorzitting in bezwaar, dat van de kant van de gemachtigde was opgesteld. Dit verslag is opgemaakt door [naam] , werkzaam bij [bedrijf], die namens de gemachtigde de telefonische hoorzitting heeft bijgewoond. Volgens eiser is sprake van een toezegging die aan verweerder kan worden toegerekend. [3]
12. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op 4 april 2023 heeft er een telefonische hoorzitting plaatsgevonden. Eiser stelt dat hem vanwege de door verweerder erkende onjuiste bekendmaking van het besluit van 16 november 2022 1 punt proceskostenvergoeding is toegezegd. In het verslag van de telefonische hoorzitting, dat is opgemaakt door een medewerker van de gemeente Amsterdam en aan eiser is toegezonden samen met de bestreden beslissing, staat deze toezegging niet. Verweerder betwist dat deze toezegging is gedaan, onder verwijzing naar het verslag. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat de betreffende medewerker is bevraagd, en dat zij ontkent deze toezegging te hebben gedaan. Verweerder heeft ook aangegeven dat het niet gebruikelijk is dat een dergelijke toezegging wordt gedaan bij een hoorzitting en dat de medewerkers die de hoorzittingen doen daarop getraind worden.
13. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de gestelde toezegging is gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Weliswaar is een (kennelijk voor intern gebruik bedoeld) gespreksverslag van de medewerker overgelegd, maar dit is in het licht van de onderbouwde betwisting van de gang van zaken door verweerder niet voldoende. Daarin weegt de rechtbank mee dat het gesprek en de verslaglegging niet zijn gedaan door een advocaat maar door een collega, kennelijk niet zijnde een advocaat, van het kantoor van gemachtigde. Tevens weegt de rechtbank mee dat van een dergelijke toezegging niet is gebleken uit het door verweerder opgestelde verslag en dat verweerder heeft toegelicht dat het doen van een dergelijke toezegging niet gebruikelijk is en dat medewerkers hierop worden getraind. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser de gestelde toezegging niet aannemelijk heeft kunnen maken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan reeds daarom niet slagen.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en verweerder geen proceskosten in bezwaar verschuldigd is. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten in beroep.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.A. Adriaanse, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser heeft op 22 juli 2022 meerdere aanvragen gedaan. Het gaat in deze zaak om de aanvraag met kenmerk 20210924.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 12 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:140.
3.Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.