ECLI:NL:RBAMS:2024:6796
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis na gedeeltelijke bekentenis over overvallen
Verzoeker werd op 14 april 2024 aangehouden op verdenking van een poging tot diefstal met geweld (overval) en in verzekering gesteld. Na enkele weken werd de voorlopige hechtenis geschorst. De officier van justitie besloot de zaak te seponeren, waarbij de voorwaarden van niet-vervolging werden vervuld.
Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 533 Sv Pro tot vergoeding van immateriële schade ten gevolge van de verzekering en voorlopige hechtenis, ter hoogte van €1.690,-. De rechtbank behandelde het verzoek op 12 september 2024 in openbare raadkamer, waarbij verzoeker niet aanwezig was.
Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen vergoeding omdat verzoeker zichzelf bij de politie had gemeld en een aantal gewapende overvallen wilde bekennen, maar vervolgens geen volledige openheid van zaken gaf en zich op zijn zwijgrecht beriep. Hierdoor heeft verzoeker het voorarrest over zichzelf afgeroepen.
De rechtbank oordeelde dat geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om vergoeding toe te kennen. De afwijzing is gebaseerd op het feit dat verzoeker door zijn eigen handelen de voorlopige hechtenis heeft veroorzaakt. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis wordt afgewezen omdat verzoeker het voorarrest over zichzelf heeft afgeroepen.